Ten strijde tegen de Delftse stedenbouwers

Er is er maar één in dit land die mag stelen en mag moorden, dat is de centrale overheid. Die bedreigt de sociale rechtvaardigheid zelf.''

Het is geen Kalenderpandkraker, geen getatoëerd lid van de `motorclub' Hell's Angels, het is nèt geen supporter van FC Den Bosch maar wel hoogleraar bestuurskunde aan de Katholieke Universiteit Brabant: prof.dr. P.H. Frissen. Hij heeft het over de `love-baby' van staatssecretaris Remkes van VROM, de nota Mensen Wensen Wonen, die de bewindsman vorige week in definitieve vorm presenteerde.

In het Aedes Magazine, vaktijdschrift voor woningcorporaties (nr.21) concludeert Frissen dat deze Nota bewijst dat het paarse kabinet zich weer inzet voor een revival van de centralistische verzorgingsstaat. Nu wordt eindelijk eens een overheidsnota geproduceerd waarin op verfrissende wijze, met bijna menselijk taalgebruik een aantal misstanden en problemen helder en simpeltjes op een rijtje gezet, en dan is het weer niet goed.

Om het hier onparlementair samen te vatten concludeert de nota dat we er wat de woningbouw betreft met z'n allen een zootje van hebben gemaakt. Vijftig jaar naoorlogse volkshuisvesting en pas nù hebben we eindelijk de individuele burger ontdekt, de consument die we al die jaren niet zagen staan.

Met de kwaliteit van het woon- en leefproduct is het evenzo droevig gesteld en er bestaat een grote kloof tussen wat de markt – de burger – vraagt en dat wat in de aanbieding zit. En, zo gaat de nota onbekommerd voort, wij als rijksoverheid zijn hier ernstig in gebreke gebleven. Wij hebben ons geconcentreerd op bestuurlijke zaken zoals decentralisatie en verzelfstandiging vanuit de financieel/economische optiek. Tegelijkertijd echter hebben wij onze verantwoordelijkheid voor de kwaliteit, voor de resultaten verwaarloosd en ,,over de schutting gegooid.''

Kortom, we schuiven de schuld voor deze uit de hand gelopen toestanden in de woningbouw zeker niet uitsluitend af op de andere actoren zoals plaatselijke overheden, corporaties, de bouwsector en projectontwikkeling. Ook wij als rijksoverheid hebben een koelhuis boter op ons hoofd, maar daar gaan we wel wat aan doen: terug van weggeweest en van een afstandelijke naar een betrokken houding van het rijk.

Ook de veelgeroemde marktpartijen immers hebben er weinig van gebakken. Zij zullen zich moeten onderwerpen aan de tucht van de mondige en dwingende burger-consument en zij zullen producten van een aanzienlijk hogere kwaliteit moeten leveren om te overleven in een markt met echte keuzevrijheid voor die consument. Om deze ambities van het betrekken van de burgers, het bieden van keuzevrijheid aan die burgers en het drastisch omhoogkrikken van de kwaliteit van het wonen waar te maken, schuift het rijk als partner aan en ,,zal dwingender optreden'' als gemeenten en marktpartijen zich niet aan die ambities houden. Het rijk als waakhond voor de belangen van maatschappij en burger. Voor velen is dit niet alleen vloeken in de kerk, maar leidt het ook tot kreten als `Politburo' en `puur stalinisme'.

De nota is geen echte klassieker met een gedetailleerd pakket van beleidsinstrumenten voor de komende tien jaar. Integendeel, ze geeft vooral een visie en een beleid op hoofdlijnen. Nu is visie wel het allerlaatste waar de woningbouwsector op zit te wachten. In zichzelf gekeerd, arrogant, zelfgenoegzaam en bovenal de eigen belangen dienende, bepaalt deze sector al decennia lang wat goed voor ons is.

Dit soort lieden en de instellingen, bedrijven, belangengroepen die zij pretenderen te vertegenwoordigen hebben geen enkele boodschap aan kritiek, noch aan visies op hoe het anders en beter zou moeten, laat staan dat zij de booschappers aan hun tafeltje zullen verwelkomen. Integendeel, de bananen worden geschild, de kuilen gegraven en de messen geslepen. En pas op, de kwetsbaarheid van de rijksoverheid in dit voorziene proces van creatieve afbraak respectievelijk opbouw en vooruitgang, is niet gering.

Het succes van een dergelijke radicale omslag in denken en doen op het terrein van stedenbouw, wonen, leven en zorg staat of valt met beschikbare kennis. Het rijk wil zo graag aanzitten, niet met regeltjes of zakken geld, maar met inhoud en kwaliteit. Maar dan moet het op dat terrein wel wat te bieden hebben, anders wordt het volstrekt ongeloofwaardig. Niemand immers heeft behoefte aan een visionair neuzelende ambtenaar aan tafel.

Remkes vertelt ons wel wat VROM graag wil bereiken, maar niet hoe, waarmee en met wie. Om de terreur van de Delftsblauwe stedenbouwkundige maffia te doorbreken zal de overheid op zoek moeten gaan naar fris talent, naar netwerken van professionele mensen die verder kijken dan `beuklijntjes' en gepassioneerd bezig zijn met wat stedelijke ontwikkeling werkelijk inhoudt. Als het rijk de burger echt invloed wil geven op wonen en woonomgeving waar deze recht op heeft, dan zal het moeten beschikken over kennis over deze burger en kennis over het opbouwen en onderhouden van een dialoog met die burger.

Dat gaat veel verder dan een obligaat marktonderzoekje plegen of een paar leuke focusgroepjes bijeenroepen danwel een extern bureau inhuren dat hapklare modellen van de samenleving in de aanbieding heeft. Dat betekent leren communiceren met de consument, leren luisteren en anticiperen en dan weer terug vertalen naar concrete concepten. Ofwel op alle niveaus in de woningbouwsector leren omgaan met de cliënt. Iets waarop Albert Heijn al vijftig jaar dagelijks aan het studeren is.

Als de rijksoverheid beleidsmatig wil meedenken, stimuleren, als creatieve denktank wil functioneren, en als waakhond de processen wil controleren, moet zij wat te bieden hebben. Een blik bestuurskundigen opentrekken brengt ons uitsluitend de treurnis van tien-onder-één-kap van het verstikkende poldermodel en haar verpersoonlijking: de hooggeleerde uit Brabant.

Een talentenjacht is nodig en vernieuwende kennis moet worden aangeboord. Ook dit is nieuw voor een rijksoverheid. Maar met uitsluitend voornemens en verfrissende ambities word je in dit wereldje onderuitgehaald. Daar kun je op wachten.

Wouter Knapper is marketingadviseur.

    • Wouter Knapper