Stroomopwaarts naar het ongerepte

Het heeft alle kenmerken van een natuurverschijnsel, zoals de jaarlijks terugkerende regentijd met zijn overstromingen en aardverschuivingen. Bij het naderen van het einde van de vasten begeven islamitische Indonesiërs, vooral Javanen, zich in eindeloze karavanen auto's en bussen naar hun geboortestreek. Mudik, heet dat, stroomopwaarts trekken, en dat is een mooie, passende term. Want in een urbaniserend land als Indonesië is de heersende stroomrichting die van platteland naar stad, van landbouw naar industrie, van de intieme, maar conventionele dorpsgemeenschap naar het anonieme, bandeloze Jakarta. Eenmaal per jaar, als de dertig dagen vasten erop zitten, keert men terug naar de bovenloop van de levensstroom, naar het geboortedorp.

Zoals Kerstmis in de gematigde zone een combinatie is van twee lichtpunten, de geboorte van Christus en het Germaanse midwinterfeest, als de donkere dagen worden verlicht door kaarsjes in de bomen, zo geeft men hier, in de tropen, gehoor aan de periodieke lokroep van de oorsprong aan het einde van de vastenmaand Ramadan, op de Dag der Loutering (Idul Fitri). Fitriyah is Arabisch en staat voor de `reine staat van de geboorte' (islamieten kennen geen erfzonde). Door zich dertig dagen, van zonsopgang tot zonsondergang, te onthouden van drank, voedsel, rookwaren en seks, keert de moslim terug naar deze zuivere oerstaat. Op Idul Fitri vieren islamieten de overwinning op hun driftleven en die wordt bekroond met een ritueel verzoek om vergeving voor de zonden van het afgelopen jaar. Aan buren, aan collega's, maar in de eerste plaats aan ouders en grootouders. En daarvoor moet men terug naar het ouderlijk huis, naar de plaats van herkomst.

Zoals de natuur in de regentijd de wereld van de mensen ontregelt – overlopende kali's en goten, modderstromen – zo breekt de mens in deze jaarlijkse exodus met zijn eigen maat. Tientallen miljoenen gaan op weg, met de auto, met de bus, de trein en het vliegtuig. Rond Idul Fitri wordt het binnenlandse nieuws vooral beheerst door filemeldingen op de doorgaande wegen van Java. De spoorwegen, bus- en luchtvaartmaatschappijen zetten extra materieel in en dekken die kosten met tariefsverhogingen. De overheid probeert jaarlijks paal en perk te stellen aan de hausse in prijzen van vervoersbewijzen, maar dat is onbegonnen werk. Want in deze gespannen verhouding tussen vraag en aanbod duikt een oer-Indonesisch personage op: de calo.

,,Waar gaat de reis heen?'', vraagt de alert ogende jongeman, als ik de hal van station Gambir, in het centrum van Jakarta, binnenloop. ,,Ik wil naar Solo'', jok ik en zet koers naar het loket en de lange rij wachtenden. ,,Die kaartjes zijn tot 30 december uitverkocht'', zegt hij, ,,maar ik kan u helpen. Welke datum, hoeveel personen?''

Voor dat ene woord, calo, bestaan ontelbare vertalingen: tussenpersoon, makelaar, koppelbaas, regelneef of agent. De calo `helpt', zal hij zelf zeggen, vraag en aanbod aan elkaar knopen. In werkelijkheid helpt hij vooral schaarste in de wereld en daar profiteert hij zelf van. Deze gewiekste ondernemers kopen kaartjes op voor treinen en bussen en zelfs vliegtuigen, die ze niet zelden voor de dubbele prijs slijten. Een eersteklas treinkaartje naar Solo kost gewoonlijk 140.000 roepia, maar mijn `helper' vraagt 200.000. Bij navraag aan het loket blijkt dat er voor de opgegeven datum nog 35 kaartjes zijn. Voor het gevraagde meerbedrag hoef ik alleen niet in de rij te staan. Zijn die 35 kaartjes morgen op, dan vragen de calo's, die over onuitputtelijke reserves beschikken, 280.000 roepia per stuk.

De woordvoerder van de staatsspoorwegen en de minister van Verbindingen, een gepensioneerde generaal, zijn dezer dagen de meest geïnterviewde Indonesiërs. Begin deze week verklaarden zij de oorlog aan de calo, die worden bestempeld als `schadelijk voor het volksbelang'. In de hal van Gambir zijn er woensdag enkele tientallen opgepakt en mijn `helper' opereert dan ook omzichtig. Hij komt quasi ongeïnteresseerd naast me staan en terwijl hij onderhandelt, kijkt hij de andere kant op. De calo zijn zelfkanttypes en niet zo makkelijk uit het veld te slaan. Gisteren dreigden zij zelfs de stations van Jakarta in brand te steken, als de repressie tegen hun `dienstverlening' doorgaat.

De ambtelijke verontwaardiging over dit agentendom is overigens je reinste huichelarij. De calo zouden geen kaartjes kunnen hamsteren als zij niet onder één hoedje speelden met loketbedienden en hun meerderen. Die delen in de winst, maar doen alsof hun neus bloedt. Dat de marine en de luchtmacht nu kruisers en Herculestoestellen inzetten om de pemudik tegen een gereduceerde prijs naar hun bestemming te helpen, lijkt publieksvriendelijk, maar ook de tickets voor deze buitengewone diensten worden door calo verhandeld. En wie levert hun de pakketjes? Met Idul Fitri moeten vooral de zonden van de laatste weken worden vergeven.