Strafpleiters (2)

In eerste instantie wilde ik een brief schrijven over het interview met mevrouw Adèle van der Plas en de heer Pieter Herman Bakker Schut. Ik had tekst bedacht over het dédain van het paar voor `domme boeven met een grote bek', voor hun collegae/strafpleiters met maatpakken en te lange auto's (persoonlijk vind ik de te lichtblauwe en roze stropdassen minstens zo erg), voor bierdrinkende officieren van justitie en eigenlijk, impliciet, voor alles en iedereen, behalve voor RAF-terroristen en goud verdienende, dus zeer intelligente criminelen. Over het IQ van hun criminele cliënten had ik willen opmerken dat zelfs Reagan, zij het achteraf, wist dat je op tijd moest bukken bij een aanslag.

Ook had ik bedacht dat de heer Bakker Schut er op de foto een beetje als een ouwe lul bijzit en dat de ayahuasca-thee hem, nog geheel afgezien van zijn teksten, toch niet goed doet. Ook had ik iets over het over één kam, die van het IQ, scheren van `chief executive officers' bij Akzo Nobel en hoofdcommissarissen van politie met de slimme crimineel/cliënt van mevrouw en meneer. Verder had ik nog een vraag over intelligent drugsgebruik.

De hoop dat er nog mensen zijn die de advocatuur, al was het maar voor een klein deel, nog serieus nemen, had ik ook als punt. En mijn geestigste gedachten ben ik al weer kwijt – die waren misschien ook wat al te gemakkelijk. Ik heb die brief niet geschreven. Tegen zoveel wartaal kon ik niet op.

En, voor het geval het interview bedoeld is als grap, wat ik eigenlijk toch voor het meest waarschijnlijk houd, is mijn naam Haas en heb ik ook deze brief niet geschreven.