SFINX

De ouderdom van de sfinx blijft de mensheid fascineren, of althans een zeker deel daarvan. Tot dat deel behoort A.J. van Loon, die op de 112de Conferentie van de Geological Society of Amerika `overtuigende argumenten' heeft vernomen over de datering van dit kolossale beeld. Uit analyse van de erosie van het gesteente van de sfinx zou blijken dat dit maar liefst vijfduizend jaar oud zou zijn, en niet 4500 jaar zoals egyptologen aannemen. De bron van deze argumentatie is een zekere Robert Schoch van de Universiteit van Boston.

Het is misschien interessant op te merken dat dezelfde Schoch tien jaar geleden op basis van andere erosieverschijnselen in de sfinx heeft `aangetoond' dat deze tienduizend jaar oud zou zijn. Dat zou blijken uit diep in de steen doorgedrongen erosie in het gesteente van de sfinx. Deze sporen zouden op geologische basis alleen verklaarbaar zijn als de sfinx reeds toen aan de invloeden van weer en wind blootgesteld was geweest. Het valt toe te juichen dat de heer Schoch zijn datering, opnieuw op basis van de erosie van de sfinx, thans vijftig procent naar boven heeft bijgesteld. Blijkbaar is de nauwkeurigheid van de door hem gehanteerde geologische methodes niet erg groot, of is die datering tenminste polyinterpretabel.

Een feitelijk commentaar is hier op zijn plaats. Omdat ik geen geoloog ben heb ik me nooit competent gevoeld te oordelen over de destijds door Schoch gebruikte methodes (Schoch zelf is minder terughoudend als hij de egyptologie bekritiseert). Maar ook zonder de geringste competentie op geologisch terrein was zijn toenmalige argumentatie zonder veel problemen onderuit te halen. Eerst enige feiten. De sfinx is uitgehouwen in een steenklomp ten oosten van de piramide van Chefren. Egyptologen hadden altijd al aangenomen dat het hier om een natuurlijke klomp steen gaat die in de regering van die farao gebeeldhouwd was. Voor diepte-erosie maakt het natuurlijk niet veel uit of een steen gebeeldhouwd is of niet. Schoch's toenmalige opvatting (in de sfinx zijn erosiesporen herkenbaar die te maken hebben met de klimaats-omstandigheden van tienduizend jar geleden) is zonder de geringste moeite in overeenstemming te brengen met de visie dat deze klomp steen, na inmiddels meer dan vijfduizend jaar erosie, in de tijd van Chefren gebeeldhouwd zou zijn.

In de tien jaar die sinds de publicatie van Schoch's aanvankelijke hypothese zijn verstreken heeft deze geleerde zijn visie drastisch herzien: de datering van de sfinx is maar liefst vijfduizend jaar opgeschoven in de richting van de datum die egyptologen altijd voor waarschijnlijk hadden gehouden. Dat is bemoedigend, maar het is wel een beetje raar dat Schoch nog steeds blijft volhouden dat het egyptologen zijn die de sfinx, en en passant ook een aantal goed gedateerde piramides, fout dateren. In het licht van het voorafgaande moet het Schoch weinig moeite kosten ook het resterende gat tussen zijn `geologische' datering en die welke in de egyptologie gangbaar is, te dichten. Ongetwijfeld is ook dat op basis van erosiesporen `overtuigend' aan te tonen.

Ik wil hier nog iets anders aanstippen. Egyptologen worden nogal vaak lastig gevallen door enthousiaste leken die op basis van de hypotheses van de Belgische ingenieur Bauval (die over een groot talent beschikt in het bespelen van de media) zeker `weten' dat de piramides van Giza ongeveer tienduizend jaar oud zijn. In die onzinnige voorstelling van zaken speelt de oudere datering van Schoch van de sfinx een zekere rol. Gelukkig draagt zelfs Schoch er thans toe bij dat dit misverstand uit de wereld wordt geholpen.