Rijke Nederlander wantrouwt fortuin

Zonder er voor te hebben gewerkt of gespaard, is Nederland rijker dan ooit. De rijkdom is de Nederlander in de schoot komen vallen. Dat wekt achterdocht.

Werken in het zweet des aanschijns? Vergeet het maar. De pijlers van het calvinisme waarop de Nederlandse economie was gebouwd zijn in de jaren negentig vervangen door de heipalen van de huizenmarkt. Sparen is voor de dommen. Vooral de huizenmarkt heeft het vermogen van Nederlandse huishoudens flink opgestuwd.

Uit gegevens van De Nederlandsche Bank blijkt dat in de periode 1995-1999 de vermogenstoename van Nederlandse gezinnen een van de grootste is geweest in de westerse wereld. Japanse gezinnen zagen hun vermogen afnemen met 23 procent. In Duitsland nam het gemiddelde gezinsvermogen toe met 43 procent, in Frankrijk met 68 procent en in het Verenigd Koninkrijk met 94 procent. Amerikaanse gezinnen boekten een enorme vermogenswinst van 152 procent, maar zelfs die moeten het Nederlandse gezin voor laten gaan, dat een vermogenstoename liet aantekenen van 155 procent.

Sparen is daar niet erg op van invloed geweest. Samen met de bijna ontsparende Amerikanen en met de Britten waren Nederlanders verhoudingsgewijs de minste spaarders van de laatste vijf jaar. Hetgeen onderstreept hoe het karakter van de Nederlandse economie is veranderd van continentaal-Europees naar Angelsaksisch.

Stijgende aandelenkoersen droegen overal bij tot een toename van het vermogen, zij het dat in landen die vanaf een laag niveau van particulier aandeelhouderschap begonnen (Europa), de aandelenwinsten verhoudingsgewijs het meest bijdroegen. Het grote verschil tussen de Nederlandse vermogenswinst en die van de rest is de huizenmarkt, waar de prijzen van 1995 tot 1999 met 61 procent stegen. Los van de gegevens van De Nederlandsche Bank mag voor het jaar 1999 en 2000 worden uitgegaan van nog eens ruim eenderde aan prijsstijging daar bovenop. Waarmee het cumulatieve stijgingspercentage sinds 1995 komt op meer dan tachtig procent.

Nu staat er tegenover de enorme vermogenstoename in Nederland ook een flinke toename van de schuld. Alleen al aan hypotheekschulden stond er in het derde kwartaal van dit jaar 600 miljard gulden uit, en dat is meer dan de volledige staatsschuld. Het nettovermogen is dus een stuk kleiner dan de optelsom van de waarde van de (vrijwillige en contractuele) besparingen, de eigen effectenportefeuille en het eigen huis.

De Nederlandsche Bank berekende vorige week ook het nettovermogen, als percentage van het besteedbaar inkomen in Nederland. Van driemaal het besteedbaar inkomen in 1995 is het nettovermogen gestegen tot vijfmaal het besteedbaar inkomen. Daarmee komen Nederlandse gezinnen dicht in de buurt van wat in de grote industrielanden gangbaar is.

Zo kan de Grote Vermogensstijging in Nederland, die in de jaren negentig via de consumptieve bestedingen de economische groei aanwakkerde, op twee manieren worden gezien: als een zeepbel in de huizenmarkt, of als een wat late inhaalslag ten opzichte van het buitenland. De huizenprijzen hebben zich in die laatste versie simpelweg aangepast aan wat in grote delen van de industriële wereld al een gangbaar niveau was. In dat geval is het gegroeide vermogen een duurzaam verschijnsel.

Blijft het risico dat de voorspoed, die dit jaar een ongekende hoogte bereikte bij een economische groei die rond de vier procent moet hebben gelegen, breekbaar is. Als slechts een kwart van de vermogensgroei afkomstig is van sparen, dan is de andere driekwart kwetsbaar voor fluctuaties van de aandelenkoersen of de huizenprijzen – of allebei tegelijk.

De Nederlandsche Bank heeft al een scenario berekend waarbij de huizenprijzen met 40 procent kelderen. Dat lijkt dramatisch, maar zou slechts een terugkeer betekenen tot het niveau van rond 1996. In dit scenario wordt het vermogenseffect negatief, en gaat het ten koste van de consumptieve bestedingen. Ook wordt er minder geïnvesteerd in nieuwbouw. Het resultaat is een rem op de economie ter grootte van 2 procent van het bruto binnenlands product (bbp) na vier jaar. Een scenario waarin de aandelenkoersen in de VS met 30 procent dalen, en die in de rest van de wereld met 15 procent, levert nog eens een bbp-verlies op van cumulatief 0,9 procent voor de euro-economieën, waaronder Nederland.

Deze risicoperceptie leeft ook bij de consument. Dat is ook de reden dat het gros van de vermogensgroei niet direct wordt uitgegeven. De centrale bank houdt het op een uitgavenstijging van 3 gulden na vier jaar, voor elke honderd gulden die het vermogen stijgt. Dat is minder dan in de Britse en Amerikaanse economie wordt gemeten: daar wordt van elke vermogensstijging 4 procent uitgegeven.

Het verschil kan hem maar in één factor zitten: diep in zijn hart vertrouwt de Nederlandse consument het fortuin dat hem zomaar in de schoot is geworpen nog niet helemaal. Zomaar rijk, zonder er voor te hoeven werken, dat wekt achterdocht. Zo calvinistisch zijn we nog wel.

    • Maarten Schinkel