Onder het slagveld

In Arras is onlangs een ondergronds veldhospitaal opgedoken. In 1917, toen bij de Noord-Franse stad de bloedigste slag van de eerste Wereldoorlog werd uitgevochten, deed het drie dagen dienst.

Het officiële stuk uit de archieven van het Britse Ministry of Pensions dateert uit 1923. `For Casualty Clearing Station No. 19 I have not yet been able to supply the exact location in the neighbourhood of Arras', staat er. `This I will forward later.'

`Later' werd het jaar 2000. ``Werklui stuitten tijdens de reparatie van een gaslek in de Rue de Saint-Quentin op een ondergrondse ruimte'', zegt Alain Jacques, de stadsarcheoloog van het Noord-Franse Arras. Nader onderzoek wees uit dat het om het `kwijt geraakte' ziekenhuis uit de Eerste Wereldoorlog ging: CCS No. 19 was een ondergronds veldhospitaal.

De auto van Jacques stopt in een grauwe straat in een buitenwijk van Arras (Atrecht). Op de stoep trekt hij een ijzeren luik open, de cementsporen rond het luik zijn vers. Jacques noodt ons binnen in het donkere gat. We laten ons zakken en belanden in een trappenhuis dat ons tot twintig meter onder de grond brengt. Jacques: ``Dit deel stamt uit de Tweede Wereldoorlog en gaf toegang tot een schuilkelder. Eerst herontdekten de werkers dit trappenhuis, pas daarna het erachter gelegen ziekenhuis.'' We verlaten het trappenhuis door een gat in de bakstenen muur en komen terecht in wat op een uitgehouwen grot lijkt. ``Onder Arras liggen tientallen steengroeven die in de Middeleeuwen zijn uitgehouwen voor huizenbouw'', legt Jacques uit.

De Fransen gebruikten de ondergrondse groeven als schuilkelders tijdens de beginjaren van de Eerste Wereldoorlog, toen ze de Duitsers net buiten Arras tot staan hadden weten te brengen. In 1916 namen de Britten de Franse posities over. In november van dat jaar begon de New Zealand Tunneling Company aan het toegankelijk maken en met elkaar verbinden van 25 van deze steengroeven, waarvan de grootste plaats bood aan vierduizend man. Jacques: ``De Nieuw-Zeelanders herschiepen hun eigen eilandenrijk onder de grond. De route naar de Duitse linies komt qua namen overeen met de route van hun Noordelijke naar hun Zuidelijke eiland: Russell, Auckland, New Plymouth, Wellington, Nelson, Blenheim tot aan the Bluff, de zuidpunt van het land.''

Ook maakten de Nieuw-Zeelanders een lange tunnel die tot ver in niemandsland, vlak voor de Duitse loopgraven reikte. Dit alles ter voorbereiding van een gigantisch Frans-Brits lenteoffensief in 1917 dat de strijd, zoals wel vaker tijdens de Grote Oorlog, voor eens en altijd moest beslissen. De Britse aanval bij de Noord-Franse stad, die de geschiedenis in ging als de 'Slag van Arras', was bedoeld als afleidingsmanoeuvre en moest Duitse troepen weglokken bij Laon, waar de Franse troepen vervolgens de definitieve doorbraak moesten forceren. ``De Slag bij Arras is een beetje in de vergetelheid geraakt door de chronologie'', zegt Jaques. ``Hij viel tussen de bekendere slagen bij de Somme en Passchendaele in. Maar met het hoogste aantal slachtoffers per dag was het de bloedigste slag uit de hele oorlog.''

De slag bij Arras begon op 9 april 1917 met de succesvolle inname door de Canadezen van de nabij gelegen heuvelrug van Vimy. Tegelijkertijd doken uit de groeven onder Arras 24.000 Britse soldaten als duveltjes uit doosjes op voor de ogen van de verraste Duitsers. Na aanvankelijk grote terreinwinst, liep de hele aanval op niks uit. De beoogde Franse opmars eindigde in het bloedbad van de Chemin des Dames. Er volgde muiterij en de Britse terreinwinst ging weer verloren bij de Duitse tegenaanval. Uiteindelijk lieten 84.000 Britse soldaten bij Arras het leven.

CCS No. 19, met aan het hoofd Medical Corps-kolonel Thompson, lag maar 800 meter achter de frontlijn en bood plaats aan ruim zevenhonderd mensen. De Britten hadden het met opzet aangelegd in een groeve die ten zuidoosten van de stad gescheiden lag van de andere groeven, zegt Jacques. ``Logistiek gezien was het al vrijwel onmogelijk langs dezelfde route gewonden af te voeren en tegelijk vervangingstroepen naar het front aan te voeren. Trouwens, de Britten wílden ook ieder contact tussen verse troepen en gewonde soldaten vermijden, om het moreel van de frontgangers niet te ondermijnen. Vandaar de aparte `ziekenhuisgrot' met een eigen toegang.'' Hij toont een foto met een Britse soldaat op een brancard die schuin het ziekenhuis wordt ingeschoven. Iceland Street, heet de toegang tot Thompson's Cave, zoals de bijnaam van het veldhospitaal luidde.

In de lichtbundels van onze zaklampen verschijnen op de muren geschilderde wegwijzers. Eerst komen we langs het mortuarium, met een verroeste Britse helm als stille getuige. Witte porceleinen bolletjes aan de muur maken duidelijk dat het hospitaal over elektriciteit beschikte. Her en der liggen resten van houten stutpalen. We volgen de bordjes `operating theatre' tot we in een uitgehakte nis staan. De muur is geblakerd door het vuur van olielampen die klaar stonden voor het geval de elektriciteit uitviel. ``Hier was plaats voor maar één operatiebed'', zegt Jacques. ``Hospiks liepen de slagvelden af om bij gewonden de eerste verbanden aan te leggen. Ziekendragers voerden de gewonden vervolgens per brancard naar CCS No. 19, waar een arts aan de lopende band eerste hulp bood – op de grond vonden we knopen, granaatscherven en kogels. Na de operaties voerden wagens en voertuigen de patiënten voor verdere verzorging af naar ziekenhuizen achter de linies.''

Het veldhospitaal is maar drie dagen in gebruik geweest. Op 11 april stortte, na een inslag van een Duitse granaat, een deel van het dak in en begon in de provisorische operatiekamer water omlaag te sijpelen – zoals het dat drieëntachtig jaar later nog steeds doet. De Britten besloten daarop het veldhospitaal te ontruimen.

Alain Jacques is van oorsprong klassiek archeoloog. Achter het kantoor van zijn archeologische dienst heeft hij onlangs nog een Romeinse tempel opgegraven. Maar als stadsarcheoloog vindt hij dat hij alle geschiedenisperioden van Arras moet opgraven en vastleggen, dus ook de sporen van de Eerste Wereldoorlog. De bevolking waardeert dat. Zijn boek over de Slag van Arras is al aan een derde druk toe.

De wetenschappelijke erkenning van Jacques' Eerste Wereldoorlog-onderzoek is minder groot. Archeologen en historici tonen sowieso weinig belangstelling voor battlefield archaeology. De algemene opvatting luidt dat het een dure manier is om wat voor de hand ligt te vertellen, zeker als het gaat om archeologie die zich bezighoudt met de Eerste en Tweede Wereldoorlog. Vandaar dat in Nederland niet archeologen maar militairen van de opruimingsdienst vliegtuigen uit de Tweede Wereldoorlog opgraven. Ze zeven met eerbied voor eventuele slachtoffers de uitgegraven grond en maken na afloop een rapport op over wat volgens hen is gebeurd. Maar uiteindelijk, zo zeggen de militairen zelf, blijft hun werk een vorm van bodemsanering.

Rond het Belgische Ieper zijn het The Diggers, een groepje amateurarcheologen, die met metaaldetector en schop in de hand het oorlogsverleden naar boven halen. Aan de hand van de opbouw van een loopgraaf zien ze uit welk jaar hij stamt. De Vlaamse archeologische dienst houdt van een afstand toezicht, maar neemt zelf geen initiatieven voor opgravingen door professionele archeologen. In Noord-Frankrijk bij Flesquières heeft een amateur een tank uit de Eerste Wereldoorlog weten te traceren en opgegraven. ``De tank is tot monument verklaard'', zegt Jacques, die het als een begin van erkenning ziet voor de slagveldarcheologie.

provisorische graven

Hij is ervan overtuigd dat battlefield archaeology niet alleen nieuwe monumenten kan scheppen die de herinnering levend houden, maar dat deze vorm van archeologie ook nieuwe wetenschappelijke informatie kan opleveren. Dat bewijst zijn opgraving vier jaar geleden van vier provisorische graven met 27 Britse soldaten naast elkaar op een rij. ``Oud-soldaten hebben weinig gesproken over hoe ze de doden begroeven. Dat was taboe.'' Jacques ontdekte onder andere dat alle soldaten met hun gezicht naar de vijandelijke linies lagen. Ze bleken verder kort na 11 april 1917 te zijn omgekomen. ``Dat is nadat CCS 19 was ontruimd en er geen veldhospitaal meer in de buurt was waarheen gewonden snel afgevoerd konden worden. Dat heeft dus extra levens gekost.''

Jacques heeft een week de tijd gehad voor een eerste onderzoek van het ondergrondse veldhospitaal. Daarin heeft hij vele graffiti ontdekt. ``Voornamelijk namen, onder andere van Maori's van de New Zeeland Tunneling Company. De soldaten hebben er maar drie dagen gezeten en hebben nauwelijks tijd gehad om diepzinnige gedachten op te schrijven.'' Het blijft nu bij het opschrift van de `Dighole Kid' die laat weten dat hij al sinds 1914 meevecht en `still going strong' is.

Plots verschijnt in het schijnsel een in de rotsen uitgehakt vrouwenhoofd. ``Fout'', zegt Jacques. ``Het is een mannenhoofd. Kijk, in zijn mond zit een klein rond gaatje. Daar staken de soldaten voor de grap brandende sigaretten in.'' Ondertussen zijn we aangekomen in wat de keuken is geweest. Op een hoop liggen lege blikjes beef en sardientjes én een fles champagne. Een bevestiging van wat een champagnemaker uit de streek Jacques heeft verteld. ``Nooit is hier meer champagne gedronken dan tijdens de Eerste Wereldoorlog.''