Markt versus overheid is achterhaald debat

De uitdaging voor sociaal-democraten is nieuwe evenwichten te vinden tussen flexibiliteit en zekerheid, en tussen solidariteit en keuzevrijheid. Een internationale oriëntatie is daarbij essentieel. Zo zou de Europese Unie uitwassen van de mondiale economie moeten corrigeren, vinden Jet Bussemaker en Willem Witteveen.

In een bijdrage aan de discussie over een nieuw beginselprogramma voor de PvdA concluderen Klaas Groenveld en Patrick van Schie dat de sociaal-democratie, als ze een samenleving wil waar burgers serieus worden genomen, onvermijdelijk uitkomt bij het liberalisme (Opiniepagina, 12 december). Daarin bestaan slechts zelfbewuste burgers en een markt die alles regelt zoals het hoort. Volgens Groenveld en van Schie is geen beleid nodig om sociale ongelijkheden te bestrijden. Deze zijn volgens hen slechts een gevolg van natuurlijke verschillen tussen mensen.

Een dergelijke stelling is gebaseerd op een ongecompliceerde visie van de samenleving en een eenzijdig geloof in de markt. Groenveld en van Schie hebben desalniettemin een punt. Zij leggen feilloos de zwakte bloot in het eerder afgedrukte artikel van Maarten Hajer en Paul Kalma, namelijk de vereenzelviging van de markt en individualisering met de liberale ideologie. Hajer en Kalma betoogden (Opiniepagina, 27 november) dat het concept-beginselprogramma niet herkenbaar sociaal-democratisch is. Hun pleidooi heeft een conservatieve ondertoon: alles wat de markt doet is slecht, individualisering dient bestreden te worden en globalisering brengt alleen gevaren.

Elke sociaal-democratische visie stelt het burgerschap centraal. Burgers zijn echter niet alleen zelfbewuste en mondige individuen, zij zoeken hun kracht ook in verbondenheid met anderen en accepteren verantwoordelijkheid voor elkaar. Zonder zulke vrije, verantwoordelijke en solidaire burgers kan een samenleving zichzelf niet besturen en is democratie een onbereikbaar ideaal. Niet alleen de markt, niet alleen de overheid, maar het gehele publieke domein is het werkterrein van burgers.

De discussie over markt versus overheid is achterhaald. De markt is, zeker voor sociaal-democraten, nooit een doel op zichzelf. Zo kan de markt ongelijkheid creëren wanneer het recht op zorg geprivatiseerd wordt. Maar als instrument kan de markt helpen om keuzevrijheid voor individuen te vergroten en het aanbod beter op de vraag te doen aansluiten.

Dat is bijvoorbeeld een reden om voor meer vraaggestuurde kinderopvang te pleiten. Het door de overheid gereguleerde aanbod van kinderopvang komt immers onvoldoende tegemoet aan de nog steeds toenemende vraag naar voorzieningen. De markt kan ook een belangrijke rol vervullen bij het bevorderen van gelijke ontwikkelingskansen en internationale solidariteit. Zo zou het ontwikkelingslanden bijzonder helpen indien zij vrije toegang krijgen voor hun producten tot de Europese markt. Een vrije markt dient altijd een eerlijke markt te zijn: daarin is geen ruimte voor protectionisme en monopolievorming. Daarnaast dient de markt altijd gekoppeld te zijn aan sociale bescherming. Het sociaal-democratische uitgangspunt van de sociale markteconomie is wat dat betreft nog altijd zeer actueel.

Behalve de markt, dient ook de plaats van het individu genuanceerd te worden. De sociaal-democratie kent een lange traditie van recht van individuele ontplooiing en zelfbeschikking. Veel emancipatiebewegingen, van arbeiders, vrouwen tot migranten, hebben zich ingezet voor het zich losmaken van anderen en het opkomen voor eigen ontplooiing.

Het recente parlementaire debat over euthanasie heeft laten zien dat zelfbeschikkingsrecht voor velen nog geen vanzelfsprekendheid is. Juist daar ligt de meest interessante overeenkomst tussen liberalen en sociaal-democraten. Zowel Hajer en Kalma als Groenveld en van Schie kennen, vreemd genoeg, aan dit aspect geen enkele betekenis toe.

Ook op het terrein van de verzorgingsstaat is sprake van nieuwe uitdagingen. Solidariteit is voor sociaal-democraten het grondmotief van de verzorgingsstaat (inkomensvoorzieningen, gelijke toegang tot onderwijs en gezondheidszorg). Maar solidariteit is niet identiek met de vormen die de verzorgingsstaat heeft aangenomen; solidariteit moet altijd opnieuw georganiseerd worden. Voor een overtuigende verzorgingsstaat moeten velen bijdragen aan én profiteren van sociale en collectieve voorzieningen.

Anders dan liberalen zijn sociaal-democraten van mening dat voorzieningen niet beperkt dienen te worden tot (karige) voorzieningen voor mensen die echt niet kunnen werken. Voorzieningen zijn ook nodig om kennis te vergaren en bij te houden in een kennissamenleving, om betaald werk met zorgtaken te combineren en om kwalitatief goede zorg voor iedereen mogelijk te maken. Daarbinnen dient ruimte te zijn voor diversiteit. De uitdaging voor sociaal-democraten is nieuwe evenwichten te vinden tussen flexibiliteit en zekerheid en tussen solidariteit en keuzevrijheid.

Een internationale oriëntatie is voor sociaal-democraten essentieel. De val van de Muur en globalisering nopen tot nieuwe oriëntatie. Hajer en Kalma beklagen zich vooral over de negatieve aspecten van mondialisering, zoals de onbeheersbaarheid van de internationale financiële markten.

Groenveld en van Schie lijken globalisering te zien als een autonome ontwikkeling waarvan regulering onwenselijk is. Wij delen geen van beide opvattingen. Globalisering heeft zowel positieve als negatieve aspecten. Het leidt enerzijds tot meer culturele uitwisseling en een hoopvol perspectief op aanhoudende economische groei. Het brengt anderzijds ook nadelen met zich mee zoals aantasting van het leefmilieu en nieuwe scheidingen tussen arm en rijk. Bij deze problemen op wereldschaal is de macht van nationale overheden beperkt.

De Europese Unie moet daarom haar economische en politieke macht vaker en effectiever inzetten om de uitwassen van de mondiale economie te corrigeren. Uitgangspunt van de sociaal-democratie is een sterk, sociaal en democratisch Europa. Dat moet zijn gewicht in de strijd werpen om te komen tot een eerlijker verdeling van levenskansen binnen de EU, ten aanzien van de uitbreidingslanden in Midden- en Oost-Europa en ten opzichte van de hele wereld. Dat is een ambitieuze doelstelling. Wie de top van Nice heeft gevolgd weet hoe slechts met zeer veel moeite kleine stapjes vooruit worden gezet. In dat licht is het concept-beginselprogramma radicaal.

Jet Bussemaker en Willem Witteveen zijn respectievelijk lid van de Tweede en Eerste Kamer voor de Partij van de Arbeid. Zij zijn lid van de commissie die het concept-beginselprogramma schreef.

    • Jet Bussemaker
    • Willem Witteveen