Machtige muis

Te vaak zien beheerders van natuurterreinen de muis over het hoofd: het diertje is een machtig wapen tegen vergrassing of te uitbundige bomengroei.

Muizen blijken een niet weg te cijferen bijdrage aan vegetatiebeheer te leveren. Voor natuurlijke begrazing van Nederlandse natuurterreinen, ter voorkoming van vergrassing of te uitbundige bomengroei, zetten beheerders vaak halfwilde runderen in. Maar misschien wordt de muis te vaak over het hoofd gezien. Dat blijkt uit onderzoek van de Leerstoelgroep Plantenecologie & Natuur van Wageningen Universiteit (Zoogdier, september 2000).

Ruben Smit en Jan den Ouden volgden jarenlang de ontwikkelingen van heidevelden en bossen op arme zandgronden van de Veluwe, in het Speulder & Sprielderbos en het Nationale Park De Hoge Veluwe. Met havermout en pindakaas gevulde vallen gaven in die periode inzicht in de muizenstand. Tegelijkertijd gaven zaadpredatie-experimenten zicht op het percentage door muizen versleepte en verorberde zaden. Daartoe werden op vaste plekken groepen van vijftig tot honderd eikels en beukennoten aangeboden. Door magneetjes in die zaden te verstoppen, konden de onderzoekers elders opgeslagen voorraadjes met een magneetdetector terugvinden.

Structuurrijke vegetaties met bijvoorbeeld adelaarsvaren bleken overduidelijk een gunstig effect op de aanwezigheid van muizen te hebben. Vooral de rosse woelmuis is daar in het arme bos sterk aan gebonden. In het algemeen geldt: hoe hoger de kruidenlaag, des te hoger de muisdichtheid.

Dat bleek ook in daarvoor langdurig door grote zoogdieren begraasd land. Waar edelherten, reeën of moeflons buiten proefpercelen werden gesloten, werden te midden van struikheide, bochtige smele en grove dennen na drie jaar verhoudingsgewijs aanzienlijk meer aardmuizen en bosmuizen gevangen.

Vanuit de muis bekeken is een in het oog springend voordeel van structuurrijke vegetatie de beschutting tegen roofdieren. Maar ook een hogere voedselopbrengst speelt mee, zoals die van bramen en vers braamblad voor rosse woelmuizen. Bovendien biedt een dichte vegetatie, bijvoorbeeld varens met daaronder een dichte strooisellaag, de kleine knagers een gunstig micro-klimaat. De invloed van de muizen op de vegetatie bleek ondertussen aanzienlijk. Met name boomzaden gaan er in grote aantallen aan.

Veldexperimenten wezen uit dat muizen binnen drie dagen alle tweehonderd uitgelegde zaden van zomereiken kunnen wegnemen. Sommige eikels worden ter plekke geconsumeerd, maar het gros wordt elders verstopt en opgeslagen. In tegenstelling tot eekhoorns, die slechts enkele grote voedselvoorraden creëren, leggen bosmuizen vele kleine, sterk verspreide voorraadjes aan.

De muizen in het Wageningse onderzoek braken alle records van eerdere `zaaddispersie'-experimenten: vindplaatsen waren er tot zestig meter van de uitlegplek. Het maximum was tot nu toe dertig meter.

Aanvullende video-experimenten maakten duidelijk dat het vooral bosmuizen waren die met verrassende snelheid met de zaden aan het slepen waren: een individuele muis haalde tot wel vijftig eikels op in een nacht. Kiemexperimenten op de Hoge Veluwe lieten zien dat de muizen met deze ijver een enorm negatief effect op de vestiging van bomen kunnen hebben. Gebiedjes waar wel of geen muizen bij konden komen verschilden sterk qua aanwas van nieuwe bomen. Onbekend blijft hoeveel naar elders versleepte zaden, na door de muizen verspreid en verstopt te zijn, alsnog kiemen en opgroeien. Wellicht brengt dit natuurlijke bosvernieuwing met zich mee.

Groenbeheer gebeurt niet alleen door de `granivore' muizen. Ook herbivore muizen werken niet zozeer de zaden, maar kiemplantjes en blad naar binnen. Zo eten rosse woelmuizen grote aantallen zaailingen van bomen. Aardmuizen en veldmuizen verwerken daarnaast ook nog grote hoeveelheden gras. Daarbij gaat het om eentiende van hun lichaamsgewicht per dag, ofwel zo'n twee gram. Ze scoren daarmee relatief hoger dan runderen, die slechts zo'n twee procent van hun lichaamsgewicht omzetten aan nat ofwel vers gewicht groen. Een hoge muizendichtheid, van zo'n vijfhonderd per hectare, zorgt dus voor een consumptie van een kilo per dag, waaronder ook ondergronds wortelmateriaal. Zo'n laag lijkende hoeveelheid legt niettemin ecologisch gewicht in de schaal: voor bijvoorbeeld vergraste heide op de Veluwe komt dat overeen met 0,01 procent van de totale bovengrondse biomassa per dag. Zo kan gedurende een heel groeiseizoen een aanzienlijk deel van de bovengrondse, maar ook ondergrondse vegetatie door muizen worden weggevreten.

Helaas vullen ze daarmee niet het gewenste werk van de grotere grazers aan. Rund en muis zitten elkaar volgens de onderzoekers in de weg. Juist de door muizen zo gewenste structuurrijke vegetatie gaat er door aanwezigheid van grote grazers verloren.