HET PUBLIEK

Groot feest is het op de tribunes wanneer hun helden naar Nederland komen. Turken, Italianen, Joegoslaven, Grieken, Marokkanen en Portugezen komen in groten getale naar de stadions en sporthallen om de sportmannen en -vrouwen uit hun geboorteland aan te moedigen. Het thuisspelende Nederlandse team moet ervan uitgaan dat de eigen aanhang wordt overstemd door de aanhang van het bezoekende buitenlandse team. Tegenover de bescheiden aanmoedigingen van het thuispubliek staat het uitzinnige gejuich en gezang van de `buitenlanders'. Aanhangers van mediterrane afkomst schreeuwen het uit van wanneer hun helden in actie komen. Ze zingen al voordat er is gescoord. Ze wachten niet af, zoals Nederlanders, of hun helden wel succesvol zijn. Ze vuren hun ploeg aan, ze slepen hun ploeg er doorheen. Nederlandse ploegen kijken niet voor niets op tegen confrontaties in stadions in zuidelijke landen. Griekse en Turkse stadions worden bestempeld als heksenketels, als stadions waar het kan spoken, omdat de toeschouwers er onophoudelijk lawaai schoppen; ze schreeuwen en fluiten tegen de vijand. In Spaanse en Italiaanse stadions laten de toeschouwers zich evenmin onbetuigd. Alleen wordt daar meer gezongen dan geschreeuwd. De hartstocht kent er geen grenzen. Heel anders dan in Nederlandse stadions, waar men zwijgend toekijkt wanneer de helden niet voldoen. De Nederlandse aanhang wacht af.

Twaalfde aflevering in de serie over publiek.