Grote twijfels bij import kernafval Rusland

Het besluit van de Russische Doema om toestemming te geven voor de import van buitenlands kernafval heeft de weg vrijgemaakt voor een sinistere ontwikkeling.

Als de import zich ontwikkelt zoals beoogd, kan binnen afzienbare tijd Westers nucleair afval een van de grootste bedreigingen voor milieu en gezondheid in Rusland gaan worden. Voor een milieuorganisatie als Greenpeace, die belangrijke Russische nucleaire schandalen aan het licht bracht, kwam het nieuws niet als een verrassing. De Russische wens om aan de import van Westers nucleair afval geld te gaan verdienen leeft al een jaar of drie. Zelfs de Nederlandse overheid was er van op de hoogte, al was het maar omdat Greenpeace had geïnformeerd naar het Nederlandse standpunt ter zake. Op 15 december kreeg de organisatie van premier Kok te horen dat export van Nederlands kernafval naar Rusland `niet aan de orde' was. Het is veelzeggend dat het ministerie van VROM daar gisteren aan toevoegde dat er geen principiële bezwaren zijn tegen de export van kernafval naar Rusland. De kwestie is `niet aan de orde' omdat Nederland toch al had besloten zijn afval enige decennia bij Vlissingen in een bunker op te slaan. Wat er daarna mee moet gebeuren is nog onzeker.

Natuurlijk hoeft er ook `in principe' geen bezwaar te zijn tegen export van nucleair afval. In zeker opzicht is er nu al veel internationaal transport van kernafval naar de grote opwerkingsfabrieken in Frankrijk en Engeland. Van al het kernafval uit Borssele en Dodewaard dat Nederland de afgelopen decennia naar Cogéma en BNFL voor opwerking afvoerde is tot op heden nog niets teruggekomen. De kernreactoren die de Sovjet-Unie destijds in Oost-Europa plaatste konden en kunnen hun afval altijd in Rusland kwijt.

Er zullen ook zeker landen zijn met een diepe ondergrond die helemaal niet geschikt is voor eindberging van kernafval of opgebrande splijtstof, zelfs al is dat in glas gegoten. Die landen móeten wel uitwijken naar veiliger oorden. De `Joint convention on the safety of spent fuel management and on the safety of radioactive waste management' van 1997 (www.iaea.org/

worldatom onder `documents') laat in de preambule (lid XI) de mogelijkheid van export voor eindberging elders ook uitdrukkelijk open. Maar nucleair afval moet worden opgeborgen `in de staat waarin het werd opgewekt'. En niet zonder de kanttekening dat men voor wat betreft de uitzondering afval op het oog heeft dat in gezamenlijke projecten ontstond. Rusland heeft de conventie ondertekend maar nog niet geratificeerd.

Een staat is zèlf verantwoordelijk voor de eindopberging van zijn radioactief afval, dat is het uitgangspunt. De geest van de `Joint convention' is wat dat betreft niet anders dan die van de Conventie van Bazel uit 1992 die zich uitspreekt over de export van gevaarlijk (chemisch) afval. Aan de conventie was in de jaren tachtig grote behoefte ontstaan toen duidelijk werd dat Westerse staten er steeds meer toe overgingen hun chemisch afval tegen een geringe vergoeding in de arme landen van Afrika, Azië en Oost-Europa te dumpen.

Tegen een uit nood geboren afvoer van kernafval naar een land dat voldoende nucleaire expertise bezit en een veilige en efficiënte opslag kan garanderen hoeft niet veel te bezwaar te zijn. Maar als er nu één land is waar onmiddellijk grote twijfels zouden rijzen aan expertise, verantwoordelijkheidsbesef, veiligheid en efficiëntie dan is het wel Rusland.

In de havens aan de Barentsz-zee liggen de afgedankte kernonderzeeërs langzaam te vergaan zonder dat er iemand naar om kijkt. Het militaire complex bij Kyshtym in de Oeral, het beoogde eindstation van Westers kernafval, behoort tot de meest vervuilde gebieden op aarde. De explosie die zich in 1957 voordeed (en die pas eind 1988 werd toegegeven) maakte de evacuatie van tienduizenden omwonenden noodzakelijk.

Dat het Russische aanbod in een zeer grote behoefte voorziet staat vast. Nog nergens ter wereld heeft men een definitieve oplossing gevonden voor de eindberging van radioactief afval. De politieke besluitvorming stuit keer op keer op wetenschappelijke aarzeling over veiligheid en het zogenoemde `not in my backyard'-syndroom. Iedereen is het er over eens dat kernafval moet worden opgeborgen, maar geen gemeente of provincie wil het op of in eigen bodem. Gezien de onoplosbaarheid van het probleem moet gevreesd worden dat de lucratieve handel tussen Rusland en het Westen weldra op gang komt.