Arm minder arm, rijk veel rijker

De jaren negentig waren jaren van ongekende overvloed. Wie profiteerden het meest van de toegenomen welvaart?

Tijdens de jaren van overvloed vóór de oliecrisis van 1979 was `De armen worden steeds armer en de rijken worden steeds rijker' volgens Karel van het Reve een veelgehoorde uitdrukking. In Uren met Henk Broekhuis bestreed Van het Reve deze opinion chic met een rekenvoorbeeld. Een betonwerker in Rome verdient in het jaar nul 100 gulden per maand. Stel, zijn inkomen daalt jaarlijks met een half procent. Dan bedraagt in 1978 zijn maandinkomen ongeveer een halve cent. ,,Dat is zeer onwaarschijnlijk'', concludeerde Van het Reve.

Nu, opnieuw in een tijd van vette koeien en volle aren, is deze opinie niet zo chic meer. Het huidige idée reçue lijkt te zijn dat `het verschil tussen arm en rijk gegroeid is'. Inkomens en vermogens groeiden de afgelopen jaren inderdaad flink, maar niet alle bevolkingsgroepen profiteerden even sterk van de toegenomen welvaart. Niet voor niks spreken politici besmuikt over mensen die ,,zijn achtergebleven'', of ,,niet meedelen'', dan wel voor wie ,,we wat extra's moeten doen''.

Het antwoord op de vraag wie het meest hebben geprofiteerd van de vette jaren komt van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP). Het CBS geeft jaarlijks een boek uit over de welvaartsverdeling. Daarin wordt uitgegaan van het `besteedbaar inkomen', het inkomen na aftrek van belastingen en premies. Daarin zijn allerlei overheidsvoorzieningen, die met name op lagere inkomens een groot effect hebben, niet meegenomen. ,,Denk aan de huursubsidie, maar ook aan de medische zorg en de gesubsidieerde kinderopvang'', zegt E. Pommer van het SCP. Nog lastiger zijn de vermogens. Doordat Nederland geen belasting kent op vermogensgroei, is er geen exact beeld van de waardestijging van de beleggingen en huizen.

Ondanks de meetproblemen geeft het CBS-jaarboek een aardig beeld van de welvaartsverdeling, vooral door de baaierd aan ,,feiten en cijfers over inkomen en consumptie''. Bij de hoogste inkomens heeft bijvoorbeeld eenderde van de huishoudens een vaatwasser, bij de laagste inkomens is dat één op de tien. Van het Reve betoogde in 1978 dat de inkomensverschillen juist waren gedaald. Dat was toen ook zo, dankzij de opbouw van de verzorgingsstaat na de Tweede Wereldoorlog. Juist rond 1978 begonnen de inkomensverschillen echter weer toe te nemen, vooral door de economische crisis die Nederland spoedig zou verlammen.

Inkomensverschillen worden veelal gemeten met de Gini-coëfficiënt, waarbij ruwweg het gemiddelde inkomensverschil in een land wordt gedeeld door het gemiddelde inkomen. Hoe dichter de uitkomst bij `0' ligt, hoe gelijker de verdeling; hoe dichter bij `1' hoe ongelijker. Daalde de Gini-coëfficiënt tussen 1959 en 1977 van 0,37 tot 0,28, in 1998 lag deze op 0,32. Nederland heeft daarmee een middenpositie in de westerse wereld, waar de laatste twintig jaar bijna overal de inkomensongelijkheid is gegroeid.

Het CBS maakt duidelijk waar in Nederland de inkomensongelijkheid zit. Vrouwen verdienen nog altijd minder dan mannen. Westerse allochtonen krijgen een fractie minder geld dan autochtonen, maar veel meer dan niet-westerse allochtonen, die op hun beurt de vluchtelingen ver achter zich laten. Laagopgeleiden hebben een lager inkomen dan hoogopgeleiden. Kinderen van rijke ouders verdienen beter dan kinderen van arme ouders.

De achterblijvers moeten vooral terrein prijsgegeven aan de tweeverdieners. In Nederland zijn vrouwen de laatste jaren veel meer gaan werken, ze dreven zo de inkomensongelijkheid op. Huishoudens met twee inkomens hadden in 1998 zo'n 21 procent meer te besteden dan huishoudens met één kostwinner (in 1977 was dit verschil 15 procent). De tweeverdieners zijn volgens het CBS zelfs de belangrijkste oorzaak voor de gestegen inkomensongelijkheid tussen werkenden en mensen met een uitkering. `Tweeverdieners' in de bijstand delen een uitkering, tweeverdieners met werk krijgen door de extra baan meer geld.

De grote groei in inkomensongelijkheid ontstond tussen 1985 en 1990, toen het economisch herstel zorgde voor een stijging van de inkomens terwijl de uitkeringen bevroren bleven. Sinds 1990 nam de inkomensongelijkheid nauwelijks toe. Wel is de laatste tien jaar het gemiddeld vermogen per huishouden spectaculair gegroeid, van 110.000 gulden in 1990 naar 168.000 gulden in 1997. Die vermogensgroei is vooral te danken aan de stijging van de aandelenkoersen en de huizenprijzen.

Door de daling van de rente namen de woonlasten van huiseigenaren af, huurders zagen de huur alleen maar stijgen en bleven daardoor in inkomen achter. Huizenkopers konden meer geld lenen ook doordat financiers vanaf begin jaren negentig het tweede inkomen volledig meetelden voor de hypotheek. De opkomst van de tweeverdieners zorgde zo niet alleen voor een groei van de inkomensongelijkheid maar ook van de ongelijke groei van de vermogens, die veelal bestaat uit de overwaarde van de huizen.

De armen zijn iets rijker geworden, de rijken veel rijker. De politici die de welvaartsverschillen willen verkleinen neigen ernaar ,,iets te doen'' met de inkomens. De welvaart van het laatste decennium leert echter dat ingrepen bij de vermogens meer effect sorteren. Bijvoorbeeld door de nagenoeg onbeperkte aftrek van de hypotheekrente te kortwieken. Maar dat is in de politiek nog bepaald geen opinion chic.