Alphaville

Ik ben niet eens zo ver weg geweest, niet verder dan de Plejaden, maar toch zijn op Aarde drie eeuwen voorbijgegaan en voor mij nog geen zes jaar. Dat ze in staat waren mij bij terugkeer nogal achteloos uit mijn parkeerbaan te plukken, is te begrijpen: 282 jaar technische ontwikkeling is niet niks. Natuurlijk had ik niet verwacht dat mij in het jaar 2303 een warm welkom zou worden bereid, maar deze gevangenneming valt mij toch tegen. Gelukkig spreekt de persoon die mij ondervraagt vlekkeloos Nederlands, maar hartelijk is anders.

``Uw relativistische raket wordt volledig onderzocht, en uw antwoorden dienen alleen ter controle. Wees dus exact. Uw naam, land van oorsprong, datum en plaats van vertrek?'' Drie eeuwen verder, en nog zo weinig beschaafd, denk ik, maar geef zonder zichtbaar protest de gevraagde inlichtingen; ook leeftijd, rang, opleiding, en de rest van mijn culturele ballast. ``Specificaties van uw voertuig?'' `Foton-aandrijving, relativistische omzetting van quarks door Englert-Brout-katalyse, magnetische vangst van waterstof, werkzame doorsnede 0,2 lunairen, versnelling 9,7 in stationaire modus.' Ik krijg een kleur als ik besef hoe primitief hem dit in de oren moet klinken.

Gelukkig duurt het maar een half uur. ``Hebt u nog iets te vragen, voordat wij u afvoeren?'' Dat klinkt niet best. `Ja, natuurlijk. Wat is er intussen zoal veranderd, hier?' ``De gewone vraag. Wat onnozel. Als iemand uit het jaar 1739 dat aan u had gevraagd, was u dan over quarks gaan praten?'' Ondanks mijn toestand maak ik me kwaad. `Zo dom ben ik nou ook weer niet. Ik zou natuurlijk met de stoommachine beginnen.'

Hij zwijgt, houdt zijn hoofd een beetje scheef, en kijkt mij dan ineens recht aan. ``En zo begin ik met afbreekstreepjes.'' Ik verwachtte iets technisch, en kan het woord niet meteen thuisbrengen. ``Afbreekstreepjes. Af-breek-streep-jes. Om een woord aan het eind van een regel in tweeën te breken, overeenkomstig de bouw van het woord.'' Nog snap ik hem niet. ``Met de komst van de computer moest dat automatisch gebeuren. En dat kan niet zonder dat je begrijpt hoe een woord is gebouwd. Kinderen in uw tijd werden gegeseld met die sadistische streepjes. Later, toen ze volwassen waren, werd de marteling vrolijk voortgezet door allerhande spellingscommissies. Met kunst en vliegwerk werd aan computers geleerd hoe het moet. Dat was voor ons wat de stoommachine van Newcomen was in de achttiende eeuw.''

Hij valt even stil. Natuurlijk herinner ik mij de soms hilarische fouten die je in kranten las, en er begint mij iets te dagen: de schampere houding van veel natuurwetenschappers tegenover hun alfa-collegae. Ik voel waar mijn ondervrager heen wil: `En toen kwam de James Watt van de taalkunde. En uiteindelijk de Einstein van de letterkunde.' Hij klaart wat op. ``Precies. Want er bleven woorden opduiken waarvan je niet kon zeggen hoe de afbreking moet, tenzij je de woorden eromheen bekijkt. Dus de bouw van de zin heeft invloed op de bouw van het woord.'' `Betovergrootvader. Is dat een behekst familielid, of de vader van je over-opa?' onderbreek ik hem. ``Juist! Maar dat was nog maar het begin.'' Ik probeer hem voor te zijn: `Je moet de bouw van de wereld betrekken bij de bouw van een zin.' ``Kijk eens aan, dus u bent niet alleen maar een techneut die uit het verleden is komen aanwaaien. Dan bent u nu klaar voor het grote nieuws: de relativitaaltheorie.''

Ik begrijp het woord niet, maar hij vervolgt: ``Waar bent u nu?'' `In een soort politiebureau, denk ik.' ``Uw antwoord is geen aanwijzing maar een verwijzing, in dit geval naar Alphaville, omdat een absolute plaats in ons Heelal niet bestaat. U weet alleen waar u bent ten opzichte van iets anders. Dat is de relativiteit van plaats; zo zijn er ook de relativiteit van tijd en snelheid. Zoals uw geniale landgenoot Huygens aantoonde, leidt die relativiteit tot de wetten van de mechanica.'' Hij doceert: ``Betekenis is een valkuil – de uitgraving, niet de uitgestorven roofvogel.'' Geen spoor van vrolijkheid op zijn gezicht. ``De vooruitgang in de bèta-wetenschap kwam pas echt op gang toen men ophield te vragen naar de betekenis van dingen, en begon met na te gaan wat er eigenlijk gebeurde. Natuurkundigen zijn zo leep geweest om met de eenvoudige dingen te beginnen. Maar het echt geniale in dat vak is dat men de vragen van de filosoof heeft vervangen door die van de metselaar. Dus niet: wat is het wezen van een kathedraal, of: wat is de ideale baksteen, maar: hoe moet je bakstenen stapelen om een kathedraal te krijgen die niet instort? In geen enkel elektronicaboek staat gedefinieerd wat een elektron is. Telkens weer bleek dat definities nooit helemaal kloppen, en dus hadden filosofen de hardnekkige neiging om de feiten te ontkennen of aan te passen, en eindeloos te zaniken over wat-bedoel-je-precies-met. Wij hebben hetzelfde ontdekt voor de taal. Pas toen men ophield te vragen naar de betekenis van zinnen, kon er enig begrip ontstaan.''

Ik ben totaal verbluft, de kamer draait voor mijn ogen. Zonder te wachten gaat mijn ondervrager door: ``Vanaf het moment waarop `wat is het' werd vervangen door `wat doet het' begint de natuurkundige victorie. Toen `waar is het' werd verlaten ten gunste van `waar is het ten opzichte van...' kon er ernst worden gemaakt met de wiskundige formules van de mechanica. Welnu: het principe van relativiteit geldt ook voor begrippen. En zo ontstond, in de tijd dat u tussen de sterren zweefde, de differentiële taaldynamica.'' Eindelijk krijg ik er een woordje tussen. `Maar dat is onmogelijk. Hoe kun je over de inhoud van taal spreken als er geen absolute betekenis is?' ``Een opmerking uit het jaar 2000. Niet de betekenis, maar het verschil in betekenis telt. Absolute plaats bestaat niet. Absolute betekenis evenmin. Alleen verschillen in betekenis zijn waarneembaar. Sartre is een schoft. Sartre is een bedrieger. Waar zit hem het verschil? Een bedrieger kun je als schoft beschouwen, tenminste als je bedriegen afkeurt, maar niet elke schoft is een bedrieger. Je zou een reeks van zulke uitspraken kunnen doen. Vergelijk eens: `Sartre is een wezel' met: `Sartre is een gelovige'. In het eerste geval zou Sartre een dier kunnen zijn, in het tweede niet.'' Ik ben de draad nu volledig kwijt. `Wie is die Sartre?' ``Geen idee, 't is zomaar een naam, die als vanzelf bij `schoft' lijkt te passen. Maar merk op dat u meteen besluit dat Sartre een mens is, en geen hamster kan zijn. Als ik had gezegd `Sartre is bang', in plaats van `schoft', had dat wél gekund.''

Hij schept even adem, en ik vat moed. `Fijn voor jullie dat je wat meer van taal weet dan wij. Maar u wilt zo'n taalkundige theorie toch niet vergelijken met de Algemene Relativiteitstheorie, waardoor mijn raket doet wat-ie doet. Waar is uw taalkundig equivalent van de Veltman-'t Hooft SU(2)-corrector?' Mijn ondervrager sluit even zijn ogen, om mij daarna des te feller aan te kijken. ``Dus toch een zwervende techneut'', sist hij. ``Jammer. De eerste toepassing van de relativitaaltheorie was de Battustest, vergelijkbaar met de Turingtest voor machines. De eerste automatische vertaling van een van de eenvoudigste hoofdstukken uit Opperlandse taal- en letterkunde werd nog gezien als een grapje voor specialisten, zoiets als de eerste splijting van de atoomkern. Maar ik verzeker u dat wij sneller respect kregen dan de uraniumprutsers uit uw tijd. Die lui dachten dat hun machines mensen konden nabootsen. Er is zelfs een oude opname opgegraven waarin iemand beweerde dat een computer een rechter kan vervangen. Ik draai die nog wel eens op college, als mijn studenten aan wat ontspanning toe zijn. Maar zonder de toegepaste relativitaaltheorie werd het niets, helemaal niets.''

Onverwachts staat mijn ondervrager op, en komt recht voor mij staan. ``Wat een stakkers, u en uw tijdgenoten. Slampampers die drenzen over het verbieden van genetica, jengelen over kernfusie. Wisten zij veel dat ze eigenlijk de alfavakken hadden moeten verbieden toen nog niemand serieus over de mogelijkheden van toegepaste alfa dacht? Wie een vertaalmodule kan bouwen, kan een machine maken die elk gesprek afluistert en beoordeelt. En een programma dat gedragspatronen analyseert kan, gekoppeld aan een camera, zelf bepalen of dat gedrag verdacht is of niet.'' Hij gaat weer achter zijn tafel zitten. ``Weet u welke taal ik nu spreek? Nee, ik bedoel niet de taal die u nu hoort. Dat is Nederlands, omdat u Nederlander bent. Ik bedoel de taal die ik spreek.'' Er klinkt meewarigheid in zijn stem. ``De taal die ik spreek hoeft niet dezelfde te zijn als die welke u hoort, dankzij het instanton. Dat is een instantaan-vertaalmodule. In ons geval afgesteld op het Nederlands uit 2021, niet uit 2303. Besefte u dan niet dat het zeer vreemd was dat u na drie eeuwen nog verstaanbaar werd toegesproken?'' Ik krijg een rood hoofd, en kijk naar mijn geboeide handen. ``Nu ik daar toch over praat: ik vroeg u al welke taal ik spreek. Dat wist u niet, uiteraard. Ik vraag u nu, voordat u voorgoed wordt afgevoerd: weet u of ik een mens ben, of een machine?''

    • Vincent Icke