Worstelen met de waarheid

Zes jaar na de apartheid is het blanke zelfonderzoek in Zuid-Afrika op gang gekomen. Militairen, beulen en advocaten publiceren hun memoires, al dan niet in een poging vrijuit te gaan. Vragen en halve antwoorden uit een land op zoek naar cohesie.

Het zijn vaste thema's in de moderne Zuid-Afrikaanse geschiedenis: verantwoordelijkheid, het ontlopen daarvan, kadaverdiscipline. Beulen van de apartheid wezen tijdens bijeenkomsten van de Waarheidscommissie herhaaldelijk omhoog: ze erkenden hun schuld, maar hadden gehandeld in opdracht van superieuren, die op hun beurt hún superieuren de schuld gaven. Soms verwezen ze door naar de Allerhoogste, die een heilige opdracht had gegeven. President P.W. Botha's uitspraak `ik buig alleen voor God' echode door in de lagere regionen, en zo had niemand schuld.

Het is schrijnend te zien hoe in Zuid-Afrika voor- en tegenstanders van het vroegere systeem van rassenscheiding hun licht laten schijnen op een tijd die in de praktijk voorbij is, maar in de hoofden nog lang niet. Ondergeschikten als Eugene de Kock, leider van de moordbrigade Vlakplaas, zeiden naderhand zich nooit bewust te zijn geweest van de omvang van de terreur. Opdrachtgevers verklaarden niet te hebben geweten wat er gebeurde. De vroegere apartheidsminister Leon Wessels was een van de weinige ex-leiders die de commissie eerlijk zeiden: `We wilden het niet weten.' Met andere woorden: aan de top was het moorden en martelen door de lagere rangen bekend, maar men sprak er nooit over. Zoals Eugene de Kock het uitdrukte: `Ze wilden wel lam eten, maar niet het bloed en de ingewanden zien.'

Eugene de Kock was onder de apartheid moordenaar in dienst van de staat. Zijn boek A long night's damage is een aaneenschakeling van gruwelijkheden. De Kock biecht zijn daden openlijk op en waarom ook niet: hij heeft niets te verliezen. Eind 1996 is hij veroordeeld tot levenslang en alleen volledige openheid van zaken kan hem, in het kader van de speciale regeling voor waarheid en verzoening, vrij krijgen. De Kock bekent het moorden en martelen, maar verschuilt zich achter de bevelstructuur van het leger. Routineus gebruikt hij het zinnetje: `Ik werd benaderd door...'. Meestal door veiligheidsfunctionarissen en commandanten van leger en politie. En dan rukte Eugene uit om het vuile werk op te knappen. De Kock stelt dat zijn moordbrigade geen aberratie was: `Het was geen product van de apartheid in zijn laatste fase, maar een natuurlijke en onvermijdelijke consequentie van het systeem.' Daarmee wil hij zichzelf ook vrijpleiten; eigenlijk haalden zijn superieuren de trekker over.

De journalist Jeremy Gordin, die de tekst van De Kock optekende, laat aan het eind van het boek zijn eigen licht schijnen over de zaak. Hij citeert Jane Quinn, de zuster van Jackie Quinn die in 1985 door De Kock en zijn mannen werd doodgeschoten in Lesotho: `De aanslag was een walgelijke, wrede, bedrieglijke en verraderlijke moord in koelen bloede. Het kan mij niet schelen wat de doodseskaders hebben moeten meemaken of wat hun werd geleerd. Het waren volwassenen die mijn zuster vermoordden. Ze maakten hun eigen keuze en net als elk ander menselijk wezen hadden ze er naar moeten streven beter te zijn dan beesten.'

In het nawoord trekt Gordin een vergelijking tussen het nazisme en de apartheid. In een verwijzing naar Hitler's Willing Executioners van Goldhagen stelt Gordin dat de omvang van de jodenmoord niet te vergelijken valt met wat in Zuid-Afrika tijdens de apartheid gebeurde, maar dat de essentie toch dezelfde was. `De relevantie van Goldhagens boek is dat het apartheidssysteem in het dagelijkse leven, thuis, op school en in de media even krachtig en vernietigend doordrong als het antisemitisme. Weinig blanke Zuid-Afrikanen die na 1948 opgroeiden konden ontsnappen aan de boodschap: zwarten zijn anders en, natuurlijk, inferieur. Hun levens zijn daarom goedkoper.'

Dokter Dood

Andere auteurs hebben nog altijd geen moeite met het verdoezelen van de feiten. Paul Els somt in We Fear Naught But God schaamteloos de daden op van de Speciale Eenheid van de Zuid-Afrikaanse strijdkrachten, de stoottroepen die in de jaren zeventig en tachtig actief waren in Namibië en Angola. Terwijl De Kock spijt betuigt, verdedigt Els de wandaden in naam van god en vaderland: `We waren geen moordenaars, we hadden een zekere mate van integriteit en dienden ons land met trots.' Uit andere bronnen is bekend dat deze speciale commandotroepen over de grenzen van Zuid-Afrika beestachtig tekeer gingen, maar bij Els lezen we daar niets over.

Uit hetzelfde hout gesneden als Els is cardioloog Wouter Basson, bijgenaamd Dokter Dood, tegen wie momenteel een slepend proces loopt. Basson ontwikkelde tijdens de apartheid dodelijke vaccins die werden gebruikt om tegenstanders van het regime te elimineren. Hij werkte ook aan chemische en biologische wapens om de zwarte bevolking te decimeren. `Research-journalist' Hans Knoop wijdde een boek aan deze `Mengele van Pretoria' Helaas staat Knoops boek vol fouten. De apartheid bestond niet, zoals hij schrijft, om alleen Afrikaners te bevoordelen, alle blanken profiteerden; het Panafrikaans Congres (PAC) noemt hij pro-communistisch, het omgekeerde is het geval. Kwalijker is het taalgebruik. Zwarte Afrikanen duidt Knoop consequent aan met `negers'. Zuid-Afrikaanse blanken spraken altijd over `negers' of `kaffers' als het ging om hun zwarte landgenoten; dat is nu bij wet verboden. Het curieuze in Knoops boek is dat hij geen enkele zwarte Afrikaan aan het woord laat. Wat de zwarten van al die gruwelijkheden van Basson vonden lezen we niet. Terugkijkend heeft de cardioloog, die niet ontkent dat hij heeft gemoord en heeft laten moorden, geen wroeging. Knoop citeert Basson uit diens verklaring tegenover de Waarheidscommissie: `Wat ik heb gedaan, was onder de heersende omstandigheden juist. Ik heb er geen spijt van en acht mij moreel noch juridisch schuldig.'

Aan de andere kant stond een handvol blanken dat tegen het `eigen volk' in verzet kwam. De Amerikaan Glenn Frankel schreef er het prachtige Rivonia's Children over. Het boek, dat een thriller lijkt maar geheel op feiten is gebaseerd, behandelt blanke activisten uit de middenklasse van Johannesburg, die, geïnspireerd door het communisme, verzet pleegden tegen de apartheid. Het boek speelt zich vooral af in de jaren zestig, toen de wreedste tijd van het regime nog moest komen. Hilda Bernstein, een van de activisten, zegt in Rivonia's Children: `De betekenis van het leven is niet iets dat men moet ontdekken, maar de keus die men maakt over hoe te leven.'

Rivonia Proces

Frankel ging terug naar de ontstaansgeschiedenis van het verzet, in en rondom Johannesburg, waar vooruitstrevende blanken als Rusty Bernstein, Bram Fischer en Ruth First, samen met Nelson Mandela en andere ANC-leden acties organiseerden tegen de blanke minderheidsregering. In 1963 werd het grootste deel van hun netwerk opgerold bij een politieoverval in de wijk Rivonia. In de geruchtmakende rechtszaak die daarop volgde, het zogenoemde Rivonia Proces, kregen de meeste activisten, onder wie Mandela, levenslang. Fischer, een van de advocaten tijdens het proces, kreeg drie jaar later zelf ook levenslang. Indringend beschrijft Frankel de fysieke en emotionele wreedheden van het systeem. Toen Fischers zoon stierf, mocht de gevangene niet naar de begrafenis. In 1974 constateerde een gevangenisarts bij Bram Fischer kanker in een vergevorderd stadium. De autoriteiten hielden vol dat hij simuleerde en lieten behandeling achterwege. `Zijn pijn was zo erg dat hij niet goed meer kon lopen. Maar de gevangenisdirectie weigerde hem krukken te geven, waarop zijn medegevangenen er een maakten van een oude bezem.' Fischer overleed in mei 1975, twee maanden nadat de regering hem had toegestaan bij zijn broer, een arts, in `gevangenschap' te verblijven.

Ook Ronnie Kasrils (ANC), nu minister van Waterwezen en Bosbouw, maakte deel uit van de ondergrondse in Johannesburg. Hij wist te ontkomen en opereerde vanaf 1963 als balling. In zijn boek neemt deze joodse communist de persoonlijke verantwoordelijkheid tot uitgangspunt. Steun kreeg hij van de communistische landen in Oost-Europa, Afrika en Cuba. Het teleurstellende in zijn boek Armed & Dangerous is het gebrek aan zelfkritiek. Onverholen lovend is hij ook over de Sovjet-Unie; uitgebreid vertelt hij over de goede ontvangst die de kameraden in Moskou kregen. Samen met andere ANC'ers vroeg Kasrils amnestie aan bij de Waarheidscommissie voor eventuele wandaden begaan in de strijd tegen de apartheid. De amnestie werd verleend.

Een neutralere positie neemt advocaat George Bizos in. Bizos (72) kwam in 1941 met zijn ouders naar Zuid-Afrika. In zijn nieuwe vaderland had hij, zoals de meeste blanken, een comfortabel leven kunnen opbouwen. Maar hij raakte betrokken bij processen van actievoerders tegen de apartheid. Begin jaren zestig verdedigde hij, tevergeefs, Nelson Mandela in het Rivonia-proces.

Met de installatie van de Waarheidscommissie brak voor George Bizos de tijd van gerechtigheid aan, maar ook die van twijfel. In No One To Blame? zien we hem worstelen met waarheid en verzoening. De druiven zijn zuur: terwijl hij vroeger vele rechtszaken verloor omdat het systeem in dienst stond van de apartheid, lijdt Bizos voor de Waarheidscommissie opnieuw vele nederlagen door de amnestieregeling tussen de blanke regering en het ANC van Mandela. Op voorwaarde dat men de waarheid zou spreken, zou een ieder die openlijk uit zou komen voor zijn terreurdaden amnestie krijgen.

Bizos zat daardoor vertwijfeld tegenover blank geboefte dat uitlegde hoe men `terroristen' ombracht: geroosterd aan het spit, opgeblazen met dynamiet, uit helikopters in zee gegooid. Maar dat alles gebeurde uit naam van de apartheid, `in opdracht van', en dús kregen ze amnestie. De daders gaan vrijuit, de nabestaanden zijn veroordeeld, placht Bizos dan te zeggen. Zijn enige kans op strafvervolging van de schuldigen was te proberen hen te betrappen op leugens dan wel de politieke portee van hun daden in twijfel te trekken. Winst voor Bizos is dat ten minste de feiten op tafel zijn gekomen. `Ik moet bekennen dat de belofte van amnestie de waarheid aan het licht heeft gebracht. Mensen die anders hun mond hadden gehouden spraken.'

De Waarheidscommissie blijkt ook een dankbare mogelijkheid voor mensen om in de publiciteit te komen en bij te verdienen. Wendy Orr is zo iemand, ze was tussen 1995 en 1998 lid van de commissie en belicht het verloop van binnenuit (From Biko to Basson). Orr was een goed commissielid, maar haar boek is overbodig: veel details die nu al zijn verouderd, veel geronk en valse bescheidenheid. Een lijn ontbreekt, het boek is een opsomming van wat de commissie heeft behandeld, afgewisseld met fragmenten van zittingsverslagen. Het steekt schril af bij wat de Afrikaner dichteres/journaliste Antjie Krog op papier heeft gezet in Country of My Skull, vertaald als De kleur van je hart (eerder besproken in Boeken 10.11.99). Dit is het ultieme boek over Zuid-Afrika, over waarheid en verzoening, en bezinning. Krogs boek is de neerslag van twee jaar waarin ze namens de Zuid-Afrikaanse radio de Waarheidscommissie volgde. Het is een fascinerend mozaïek van haar eigen waarnemingen, getuigenverslagen voor de commissie van gruweldaden, brieven van anderen, gedichten en inzicht in de ziel van de Afrikaner via haar eigen familie.

Ubuntu

Krog (48), afkomstig uit een Afrikaner plattelandsfamilie, worstelt met de positie van de blanke in Afrika. Is de Afrikaner een Afrikaan? Vormen blank en zwart één volk of twee? Krogs geweten zegt dat het zwarte begrip ubuntu – de mens is een mens door anderen – het basisprincipe van Zuid-Afrika moet zijn. Ze stelt dat de apartheid een uitvloeisel was van `een verkeerde traditie van Afrikaner nationalisme', een systeem dat niet zou behoren tot `het beste dat onze voorvaderen te bieden hadden'. Een gesprekspartner dient haar van repliek en vat de essentie van de Boeren (Afrikaners) samen die vanuit Europa naar Afrika kwamen: `Het enige principe was overleven' en dat deed men door eigen volk eerst te zetten, uiteindelijk resulterend in rassenscheiding. Verwerpt men dat, dan verwerpt men de voorvaderen.

De meningsverschillen lopen dwars door de familie Krog. Tijdens de kerst op de familieboerderij in de provincie Vrijstaat zegt haar broer Hendrik dat Zuid-Afrika zijn land niet meer is. De blanken gaan eraan, als ze zich niet verdedigen, meent hij. Hendrik bekent: `Ik was een racist. Ik wilde alles voor mezelf en alleen het allerbeste. Ik heb vreselijke dingen gedaan om het te krijgen en te houden. Nu is het hun beurt.'

Voor zus Antjie is Zuid-Afrika wel háár land en dat van iedereen die er woont, allemaal samen. De Afrikaners moeten niet alleen erkennen dat ze fout zaten. `Voor elk slachtoffer dat een Afrikaner achternaam op haar lippen had', schrijft ze in de opdracht van haar boek, met andere woorden: Afrikaners moeten als bedenkers en willing executioners van de apartheid schuld op zich nemen en nu helpen met de opbouw van hún Suid-Afrika.

Briefschrijver Tim vat in het boek de essentie van de Waarheidscommissie samen in woorden die ook die van Krog zelf zouden kunnen zijn: `Het belangrijkste van de Waarheidscommissie was niet het verkrijgen van bekentenissen van F. W. en Magnus (F.W. De Klerk was de laatste president van de apartheid, Magnus Malan een van De Klerks ministers). Nee. Zij moeten met hun eigen geweten leven. Schijt aan de daders. De essentie van de commissie is om heling mogelijk te maken. En laat me duidelijk zijn, er is ten minste een persoon die ze hebben helpen verzoenen: mij met mijzelf. We leven niet langer onder de tirannie van de stilte.'

*)De boeken van Zuid-Afrikaanse uitgeverijen zijn te bestellen bij Gramadoelas, Guldensporenplein 16, 3500 Hasselt. Webadres: move-in.to/gramadoelas. In bovengenoemde prijzen zijn de transportkosten nog niet doorberekend.