Wachtend op de postbode

Het leven is net een appel, stelt Sylvia Plath in The unabridged journals. Ze kijkt naar de vrucht, maar ziet zijn glans niet en evenmin zijn schoonheid. Plath ziet alleen hoe de wurm zich door het klokhuis naar buiten werkt, hoe er butsen en beten in komen en dat de appel aan het einde van de dag niet veel meer is dan een bruin bespikkelde, weke massa. Een appel is een vergankelijk ding.

De dagboeken van de Amerikaanse schrijfster Sylvia Plath zijn treurig en bekoorlijk als deze appel. Ze vormen de weerslag van twaalf jaar intens worstelen met het leven. Op 28-jarige leeftijd publiceerde Plath de dichtbundel The Colossus and Other Poems. Twee jaar later verscheen de roman The Bell Jar, een maand voor haar zelfmoord in februari 1963. Zij stopte toen haar hoofd in een gasoven en liet twee kinderen en haar man, de dichter Ted Hughes, achter. Hughes redigeerde in 1982 een deel van haar dagboeken, waarin hij grossiert in `omissions'. De nieuwe, ongecensureerde editie verduidelijkt wat is weggehakt: snoeiharde taal. Toch hielp Hughes zelf mee aan de nieuwe versie door vlak voor zijn dood twee dagboeken ter beschikking te stellen die Plath schreef tussen 1957 en 1959. Dat maakt van deze editie een bijzondere oogst.

De dagboeken beginnen op 18-jarige leeftijd met een wanhopige strooptocht naar een geschikte huwelijkskandidaat. Plath verslindt man na man (`boys for amusement'), vraagt zich af of ze een lady wordt of een tiger blijft, totdat ze zich na een zelfmoordpoging in Hughes vastbijt. Als een pitbull houdt ze haar prooi tot de laatste pagina tussen de kaken. Ze laat Ted geen uur alleen en het dichtersverbond tussen Hughes en haar vervult Plath blijvend met trots. Toch geeft het idee van trouwen haar menige kopzorg, bang als ze is dat haar literaire energie zal wegstromen in potten- en pannengesjouw. En hoewel de onderwerpen in de dagboeken na de huwelijksnacht enigszins veranderen (gebakken cakes en opruimwoede), blijft de rondgierende wens om te schrijven bestaan. Haar angst blijkt dus ongegrond, maar voor ze zich dat realiseert, verschijnt een volgend spook: `I have a queer hunger for a baby'. Wederom is ze benauwd dat haar literatuur een wisse dood zal sterven. Maar als ze na een miskraam onvruchtbaar lijkt, is wanhoop nabij. Dan blijkt de literaire scheppingsdrift juist volslagen ondergeschikt aan het creëren van echt leven. Dit zijn slechts twee van de wippen waarop Plath haar onrust vertoont, dan weer panisch rennend naar de ene, dan weer even plotseling naar de andere kant.

Faalangst

Plaths twijfel zaait uit als een rotte plek, die ook het schrijven zelf aantast. Iemand die zichzelf onmogelijke eisen stelt, is immers gedoemd te falen. `Not being perfect hurts,' schrijft ze dan. En inderdaad, Plath is nooit tevreden. Ze móet publiceren – schrijven is voor haar een oerkracht – maar als ze een gedicht geplaatst krijgt, holt ze gauw weer in de fuik van haar faalangst. Dapper blijft ze werk rondsturen naar gerenommeerde tijdschriften en uitgeverijen, onder het mom van `start at the top', zodat afwijzing zich op afwijzing stapelt. Haar leven wordt gereduceerd tot een rusteloos wachten op de postbode, die haar dan weer kort in opzwepende vreugde, dan weer in lethargie en zelfhaat achterlaat.

Plath leeft continu in een paradox. Ze wil vrij zijn om te schrijven, maar eenmaal vrij lukt het niet. Geldgebrek jaagt haar de stuipen op het lijf. Erfelijk besmet met angst voor armoede en getrouwd met een werkloze dichter, gaapt geld haar als een medusahoofd aan. De gepubliceerde gedichten brengen immers onvoldoende brood op de plank. Het gevolg is dat de enorme schrijfwoede, die zich vaak onproductief tegen haar keert, door de verhalen jakkert en de lezer opjaagt. Kwaad weigert Plath te accepteren, dat haar tijd beperkt is: `God, the years, the years. I can count them now in two's and three's. Where have they gone so fast? Eaten by the raw swollen wind of time.' Het vergt moed om de vergankelijkheid van het leven zo tot je door te laten dringen en je er, hoewel dat zinloos is, toch tegen te verzetten. Daarom had Plath het liefst levens als jurken gehad, om te zien welke het beste zou staan.

Dit morrelen aan de mogelijkheden van het bestaan maakt Plaths proza zeer de moeite waard. Ze raakt algemene levenswetten, waar iedereen mee worstelt. Ze graait naar de onbekende toekomst en dat is tragisch en vervreemdend, omdat wij lezers precies weten hoeveel dagen ze nog heeft. Plath weet alleen dat ze ontelbare mogelijkheden heeft om haar leven richting te geven, maar ze wil de verantwoordelijkheid van het kiezen niet aan, dat beknot haar te veel. Daarom blikt ze op een dwangmatig bestraffende manier vooruit (`I must' en `I shall' zijn een repeterend refrein) en vergeet zo de zachte blos op de zure goudrenet van haar leven.

Net als bij de meeste schrijvers waren haar dagboeken oefenruimte. Niet voor haar fameuze gedichten, maar voor verhalen. Het ene na het andere plot ontvouwt zich, soms beschrijft ze haar belevenissen in zij-vorm. Frappant is dat Plath zo weinig over haar dichtkunst schrijft en nauwelijks gedichten opneemt in haar verhaal. Hoogstens vertelt ze hoe haar onderwerpskeuze verandert, of dat ze de logica loslaat, maar verder dan een verdwaalde zin gaat dat niet. Schrijven is voor Plath veel meer het ordenen van de rotzooi in haar hoofd: `I justified the mess I made of life by saying I'd give it order, form, beauty, writing about it: I justified my writing by saying it would be published, give me life (and prestige to life).'

Het meest intrigerend zijn de ordeningen die Plath aanbrengt na bezoeken aan haar therapeute in de voor het eerst geopenbaarde dagboekdelen. Pas nu durft Plath te schrijven over haar faalangst en haar zelfmoordpoging, vlak voordat ze trouwde. Ze vecht tegen het spook van haar overleden vader, ze is vol hatelijk verwijt naar haar moeder, die ze beschouwt als de aanstichtster van alle kwaad. Moeder kijkt op de schrijvende Plath neer, die bevangen raakt door een `paralyzing fear'. Ze voelt zich het konijn dat in de koplampen blijft staren en overreden dreigt te worden. Zelfmoord is voor haar samenvallen met haar vader, maar ook zich afzetten tegen haar moeder. Het is een morbide manier van volwassen worden.

Zelfreflecties

In dit `nieuwe' deel van de dagboeken is de taal schitterend: compact, metafoorrijk, vol vlijmscherpe, verfrissende beelden en zelfreflecties. Plath is duidelijk geïnspireerd door Virginia Woolf, een van de vele auteurs over wie ze zich uitlaat. Haar toon wordt steeds trefzekerder, met soms experimenteel staccatoproza en steeds minder dwepen of melodrama. Deze ontwikkeling doet doorlezen, al is dat soms een hard gelag. Want zoals ze zelf al stelt: `I only write here when I am at wits' end, in a cul de sac. Never when I am happy.'

Plaths laatst afgedrukte woorden gaan over de dood. Niet over de hare, maar die van de buurman. Hoewel dit fraai zinspeelt op wat komen gaat, laat dit fragment toch een onbevredigend gevoel achter, alsof het belangrijkste ontbreekt. Als lezer wil je toch bij die laatste dagen komen, vlak voor haar zelfmoord. Bovendien is er iets fundamenteels veranderd in de drie jaren tussen het laatste dagboek en dit allerlaatste fragment. Hierin registreert Plath afgevlakt haar bemoeizuchtige buren en juist omdat het niet meer over haarzelf gaat, zakt de boel als een plumpudding in elkaar. Nog steeds wil je weten waar haar onmetelijke nervositeit vandaan kwam. En hoewel ze dit mysterie vaak genoeg analyseert, blijft ze er toch telkens in hangen. Daardoor wordt het nooit echt ontraadseld, wat prettig is omdat het nieuwsgierig doet doorlezen, maar als de pil eenmaal uit is, toch een zweem van teleurstelling achterlaat.

Erg onbevredigend is de kennis dat Plath nog aantekeningen maakte tot drie dagen voor haar zelfmoord, zonder dat we hier nog een letter van kunnen lezen. Ted Hughes vernietigde een dagboekdeel, `because I did not want her children to read it', een ander deel is volgens zijn zeggen `zoekgeraakt'. De bezorger van de dagboeken, Karen Kukil, heeft dat deel (uiteraard) ook niet kunnen vinden. Om dat verlies te verzachten, koos ze voor een bijbeleditie: zo getrouw mogelijk naar het origineel. Na de strenge redactie van Hughes bij de vorige versie was het inderdaad tijd voor een completer verhaal, maar het is de vraag of de zelfkritische, perfectionistische Plath het zo compleet had gewild. De vele taalfouten, verschrijvingen en soms storende herhalingen had ze er ongetwijfeld uitgehaald. Ondanks dat deze bespikkelde goudrenet van Sylvia Plath nieuwsgierig maakt naar meer – en dus zeker het doorbijten waard is – had Kukil Plath meer recht gedaan door de appel een beetje op te poetsen.

Onlangs verscheen ook van Sylvia Plath: `Mijn uren zijn met schaduw gehuwd. Een selectie uit Collected Poems'. Vert. Lucienne Stassaert.

Uitgeverij P, 77 blz. ƒ44,50

Karen V. Kukil (red.):

The unabridged journals of Sylvia Plath, 1950 - 1962.

Anchor Books, 732 blz. ƒ49,95