Uit het lood: Berichten uit de branche

Battus schrijft vernieuwde versie `Opperlands'

Na twintig jaar maakt Battus, een pseudoniem van schrijver H. Brandt Corstius, een nieuwe versie van zijn grootste succesboek: de Opperlandse taal en letterkunde. Het boek is het quasi-wetenschappelijke standaardwerk voor het Opperlands, een taal die eruitziet als Nederlands, maar die `het akelige nut dat aan die taal nu eenmaal kleeft' ontbeert, aldus Battus (Grieks voor stotteraar) in het voorwoord. De Opperlander legt zichzelf vrijwillig beperkingen in zijn taalgebruik op en komt zo tot de meest creatieve vondsten, in de vorm van onder meer palingrammen, hypergrammen en epigrammen. `Wat kan dat mag' in het Opperlands, want het genieten van de taal is belangrijker dan de betekenis. De eerste druk van Opperlandse taal en letterkunde verscheen in 1981 bij Querido, en groeide uit tot een cult-hit. Het boek werd tot 1990 negen keer herdrukt, een totaal van zo'n 100.000 exemplaren, en verdween toen uit de handel. Een gewone herdruk werd sindsdien door de auteur tegengehouden: ,,Ik zei steeds dat ik liever een heel nieuw boek wilde maken. Dat bleef jarenlang een loze belofte, maar nu doe ik het.''

De `aardige dingen' uit het eerste boek neemt Battus over, maar daarnaast is er volop nieuwe stof, vertelt hij. ,,Iedereen die Opperlands meent te vinden stuurt het nog altijd naar me toe. In de loop van twintig jaar heb ik zo een berg materiaal verzameld. Ik zou er wel tweeduizend pagina's mee kunnen vullen. Het Opperlands is ontstaan als een hobby in mijn eigen vriendenkring. Voor hen stelde ik het boek ook samen, ik verwachtte er verder niet veel van. Maar het Opperlands sloeg aan bij allerlei groepen mensen: eerst kreeg ik veel van academici aangereikt, toen van middelbare scholieren, en de laatste jaren van kinderen van een jaar of tien. Die vinden de meest fantastische dingen, want ze kijken nog naar woorden als iets nieuws.''

Mede met het oog op zijn nieuwste aanhangers houdt Battus de toon van het nieuwe boek `simpel'. ,,Ik stop er van alles in, zelfs hele flauwe bijdragen. Daar heeft ook iemand over nagedacht.'' De structuur wordt moderner en duidelijker, met veel horizontale verwijzingen, `als op een cd-rom'. Battus: ,,Daarmee loop ik vooruit op een mogelijke digitale versie van het Opperlands. Dit is de laatste papieren editie.'' Het boek moet verschijnen in het najaar van 2001.

Republiek der Letteren heeft nieuwe voorman

Met wel héél stille trom is er bij Vrij Nederland een nieuwe aanvoerder van de Republiek der Letteren opgestaan: Jeroen Vullings (1962), die sinds 1993 op freelance basis voor de boekenbijlage van VN schreef over voornamelijk Nederlandse literatuur. Op 14 december schreef Vullings zijn laatste korte bijdrage voor het Vlaamse literaire katern Standaard der Letteren. `Zeg nooit nooit', opende het stukje, waarna Vullings melding maakte van zijn vertrek uit de kolommen van het blad `om reden van een volledige journalistieke betrekking bij Vrij Nederland'.

Daar blijkt hij op verzoek van de hoofdredactie per 1 december Xandra Schutte te zijn opgevolgd als baas van het boekenkatern. Schutte kwam in 1999 van De Groene Amsterdammer naar de Republiek der Letteren, en volgde in oktober 2000 Oscar Garschagen op als hoofdredacteur van VN.

De nieuwe boekenchef wil geen chef genoemd worden, zegt hij zelf. ,,Dat hele gedoe zegt me weinig. De vorige hoofdredacteur had de neiging om overal chefs aan te stellen, zodat er soms mensen aan het hoofd van één ander iemand stonden. Van dat beleid ziet de huidige hoofdredactie af. Ik ben gewoon boekenredacteur, naast Annemiek Neefjes, zoals Carel Peeters dat vroeger was. Ik draag natuurlijk wel bepaalde eindverantwoordelijkheden.''

Amerikaan hekelt vertalingen uit Nederlands

In The New York Times werd onlangs een opvallende lans gebroken voor de Nederlandse literatuur. De Britse schrijver Michael Pye, hier bekend van zijn roman The Drowning Room (De waterkelder), besprak in de Times van 10 december de vertaling van Arthur Japins `rich and risky first novel', The Two Hearts of Kwasi Boachi (De zwarte met het witte hart). Hij noemt het een `deeply humane book about a spectacularly exotic subject'. De grootste pluim bewaart hij voor vertaalster Ina Rilke, wier werk hij bewonderenswaardig vindt, temeer daar er in het verleden zoveel `rampzalige vertalingen' vanuit het Nederlands gemaakt zijn.

Pye, die van Britse afkomst is, maar al 20 jaar in New York woont, maakte kennis met de Nederlandse literatuur dankzij de verfilmingen van Mulisch' Twee vrouwen en De aanslag, licht hij toe. Hij stuitte vervolgens op boeken als Sunken Red (Bezonken rood) van Jeroen Brouwers, waarvan hij vermoedde dat het een meesterwerk was, ,,maar dat kon je alleen door de mist en regen van de abominabele vertaling heen zien. Het dieptepunt was de vertaling van Het gouden ei van Tim Krabbé door Claire Nicolas-White, die door de auteur zelf werd verworpen. Maar de situatie verbetert nu snel. Vertalingen als die van het boek van Japin en van Mulisch' The Discovery of Heaven door Paul Vincent bijvoorbeeld lezen weg als romans.''

,,Een van de handicaps is dat de Nederlanders hun eigen variant op het Engels spreken, wat een functioneel en flexibel taaltje is, maar literair Engels is het niet. Het Nederlands is ook een heel exacte taal. Dat heb ik zelf gemerkt toen ik in 1996 met vertaler Paul Heijman aan The Drowning Room werkte, en we de titel van het boek van `Drowning Room' in `Waterkelder' moesten omzetten.''

Denkt Pye dat er een Amerikaanse markt is voor Nederlandse boeken? ,,Natuurlijk. Er wordt hier ook veel Japanse literatuur verkocht. De enige schok voor de Amerikanen is dat ze niet weten wat voor vreemde en gewelddadige episoden jullie geschiedenis bevat. Ze zien de Hollanders liever als gezellig, vrijdenkend en stoned.''