Toen de wereldgeest nog sprak

Hegel, de abstractste Duitse filosoof aller tijden, probeerde alles in één keer te begrijpen. Zijn grootse visie op de moderne tijd werkt nog door bij Francis Fukuyama. Een nieuwe biografie belicht Hegels werk en leven, tot en met zijn liefde voor het kaartspel.

In 1809 kreeg de Duitse filosoof Georg Wilhelm Friedrich Hegel (1770-1831) post uit Nederland. Hij was destijds rector van het gymnasium in Neurenberg, in afwachting van een professoraat aan een universiteit. Voordien had hij als Privatdozent les gegeven in Jena en daar was de Nederlander Pieter van Ghert een van zijn studenten geweest. Teruggekeerd in zijn vaderland, was deze Van Ghert een niet onbelangrijk politicus geworden, en nu vroeg hij zijn vroegere leermeester of deze niet een hoogleraarschap aan een Nederlandse universiteit ambieerde. Gezien zijn huidige positie meende Van Ghert daar wel voor te kunnen zorgen. De taal was geen probleem, want de colleges konden moeiteloos in het latijn worden gegeven.

Hegel bedankte Van Ghert voor zijn genereuze aanbod, maar wees het af, zij het niet zonder op te merken, dat het latijn in de eerste fase weliswaar onvermijdelijk zou zijn, maar dat hij daarna toch zijn uiterste best zou hebben gedaan om zijn colleges zo snel mogelijk in de landstaal te geven. Want, zo voegde hij eraan toe, `ik vind het van wezenlijk belang voor de waarachtige toeëigening van een wetenschap dat men deze in zijn moedertaal bezit'.

Stel nu eens dat Hegel niet had bedankt. Misschien was een deel van zijn latere werk dan in het Nederlands geschreven en gepubliceerd. Het zou de verbreiding van zijn denken in de wereld ongetwijfeld niet ten goede zijn gekomen, maar wie weet hadden de Nederlandse lezers (die nu op Bolland moesten wachten, voordat het hegelianisme over hun land neerdaalde) ervan geprofiteerd. Of het echt veel had uitgemaakt, valt eerlijk gezegd te betwijfelen. De grote moeilijkheid van Hegels filosofische proza zit niet zozeer in het Duits, als wel in de extreem hoge abstractiegraad, het lastige jargon en de duizelingwekkende alomvattendheid van zijn denken.

Al in 1807, toen zijn hoofdwerk Die Phänomenologie des Geistes verscheen, klonk er alom gemopper op Hegels duistere, abstruse manier van schrijven. Alleen Jean Paul, de auteur van romans als Titan en Flegeljahre, prees Hegel uitbundig om diens `helderheid, stijl, vrijheid en kracht'. Wie wel eens een blik heeft geworpen in Hegels magnum opus, zal hem niet gauw gelijk geven. Geen wonder dus dat de klachten ondanks Jean Pauls lof niet zijn verstomd. Ze betroffen overigens niet alleen de stijl van Hegels proza, ook de inhoud vond bij menigeen geen genade.

Schopenhauer

Berucht zijn de tirades van Schopenhauer die ook nog persoonlijk een appeltje met Hegel te schillen had, omdat hij in 1820 als jong Privatdozent te Berlijn zo onverstandig was geweest om zijn colleges te houden op hetzelfde uur als die van zijn oudere en veel beroemdere collega, met als gevolg dat hij nauwelijks studenten kreeg. Hegel maakte hij uit voor `een plompe en weerzinwekkende charlatan', die bij een hele generatie de hoofden had `verpest' en `in de war gebracht'. Een eeuw later was het vooral de filosoof Karl Popper die Hegel in een kwade reuk plaatste, door hem (in zijn veelgelezen werk The open society and its ennemies uit 1945) te brandmerken als een van de belangrijkste geestelijke vaders van het twintigste-eeuwse totalitarisme.

Deze nog altijd niet verdwenen weerstand tegen Hegel en diens denken moet een van de redenen zijn geweest voor Terry Pinkard, hoogleraar filosofie aan de universiteit van Georgetown, om een nieuwe biografie van Hegel te schrijven. Hoe vreemd het ook mag klinken, soms lijkt het wel alsof Pinkard een charme-offensief heeft ingezet om Hegel een betere reputatie te bezorgen. Want opvallend is de nadruk waarmee in zijn boek aandacht wordt gevraagd voor de meer menselijke kanten van deze spreekbuis van de wereldgeest.

Hegel, zo blijkt, was gek op wijn en bier, nam graag een snuifje en keek steeds watertandend uit naar de periodieke zending Lebkuchen van zijn schoonmoeder uit Neurenberg. Ook zijn passie voor het kaartspel, het plezier waarmee hij uit dansen ging (al was hij er niet goed in) en zijn hoop om via de staatsloterij zijn immer precaire financiën te spekken worden ons niet onthouden.

Hegel krijgt er inderdaad menselijke trekken door. Helaas verdwijnen die weer meteen, zodra je hem gaat lezen. Niet alleen in zijn filosofische werk, ook in zijn correspondentie blijkt de denker, die als student aan het Tübinger Stift van zijn vrienden Schelling en Hölderlin de bijnaam `oude man' kreeg, zelden geneigd tot persoonlijke confidenties. Een – bescheiden – uitzondering is zijn verlovingstijd, toen Hegel, eenenveertig jaar oud, voor de meer dan twintig jaar jongere Marie von Tucher enkele romantische liefdesgedichten schreef. Maar uit hun briefwisseling valt op te maken, dat hij ook op vrijersvoeten voornamelijk serieus bleef en bovendien niet al te veel tact toonde.

Zo moet hij zijn toekomstige vrouw hebben voorgehouden dat hij van het huwelijk geen `geluk' maar `tevredenheid' verwachtte, iets wat bij Marie kennelijk niet in goede aarde was gevallen. Want in een brief zien we Hegel opeens excuses maken voor de `hypochondrische pedanterie' waardoor hij was blijven hameren op het onderscheid tussen `liefde' en `tevredenheid' – een zeldzame uiting van kritische introspectie, die in elk geval bij zijn jonge verloofde (het huwelijk werd op 15 september 1811 voltrokken) in goede aarde is gevallen.

Ambitieus

Ook wie het nu leest, met de indiscrete blik van het nageslacht, veert er even bij op. Maar verduidelijkt zo'n confidentie iets over Hegels filosofie? Op zichzelf niet natuurlijk. Toch weet Pinkard in zijn biografie, die beslist niet alleen met dit soort faits divers is gevuld, Hegels denken tot leven te wekken. Hoe? Door het, met imponerende kennis van zaken, in zijn historische context te plaatsen. De historiserende benadering heeft in dit geval niet het effect dat er op dat denken een fraaie doch loodzware grafsteen komt te liggen, het geeft er juist een opmerkelijke actualiteit aan.

Dat komt doordat Pinkards biografie veel meer biedt dan alleen een chronologisch levensverhaal. Hegel. A biography is óók een interpretatie, van Hegels filosofie en vooral van het motief dat Hegel daarbij heeft gedreven. Zijn filosofie was niet een louter abstract zoeken naar de waarheid, maar een ambitieuze poging om de moderne wereld te begrijpen en waar nodig te hervormen. Hoewel Hegel bij veel van zijn tegenstanders te boek stond en staat als een conservatieve verdediger van het Pruisisch absolutisme, legt Pinkard de nadruk op de moderne, activistische, ja revolutionaire inzet van diens denken.

In het voorwoord bij zijn Grundlinien der Philosophie des Rechts (1820) zou Hegel de filosofie definiëren als: `haar tijd in gedachten gevat'. Het gaat er niet om te bedenken hoe het redelijkerwijs zou moeten zijn (van utopisme moest hij niets hebben), maar om de rationaliteit van het bestaande bloot te leggen en te versterken. Dat klinkt weinig revolutionair, totdat je de tijd waarin Hegel leefde en werkte in ogenschouw neemt. Hegel, die in 1770 te Stuttgart werd geboren, maakte de Franse Revolutie mee, de Napoleontische bezetting van Duitsland en de Restauratie, evenals het begin van de industriële revolutie en van de secularisering. Zijn tijd was revolutionair, en omdat hij dááraan als filosoof wilde beantwoorden, was zijn denken dat vanzelf ook.

Toen Hegel in Tübingen theologie studeerde, reageerde hij samen met zijn vrienden Schelling en Hölderlin enthousiast op het uitbreken van de Franse Revolutie. Een enthousiasme dat hij zijn leven lang trouw is gebleven. Jaarlijks bracht hij op 14 juli een toast uit op de bestorming van de Bastille en nog in zijn late colleges over de filosofie van de geschiedenis wordt de Franse Revolutie een `herrlicher Sonnenaufgang' genoemd. Met deze grote omwenteling was in zijn ogen een beslissende nieuwe fase in de wereldgeschiedenis begonnen.

De vraag was alleen welke vorm de nieuwe wereld moest krijgen. Hegel, afkerig van de Terreur waarin de Franse Revolutie was ontaard, geloofde dat het antwoord uit Duitsland zou komen. Na zijn theologie-studie te hebben voltooid, zien we hem in Bern en Frankfurt als huisleraar worstelen met het christendom, waarvan hij zich afvroeg of dat misschien de gewenste `volksreligie' à la Rousseau kon worden, die de morele en geestelijke vernieuwing in goede banen zou leiden – zonder tot een eenduidige slotsom te komen. Dezelfde twijfel koesterde hij omtrent het Heilige Roomse Rijk, dat niet in staat was gebleken het Duitse grondgebied met succes te verdedigen tegen de legers van Napoleon. En nog minder duidelijk was vooralsnog welke rol hij, Hegel, bij dit alles zou kunnen spelen.

Deze laatste twijfel verdween pas in 1801, toen Schelling hem naar Jena haalde en Hegel definitief koos voor een academische carrière als filosoof. De universiteit, en daarbinnen de filosofie, zou het centrum worden waarvan de beoogde vernieuwing moest uitgaan. Terwijl Napoleon opnieuw Duitsland binnenviel, werkte Hegel aan zijn Phänomenologie des Geistes, waarvan hij naar eigen zeggen de laatste bladzijden schreef vlak voordat Napoleon op 14 oktober 1806 bij Jena en Auerstadt het Pruisische leger verpletterend versloeg.

Hoewel zijn woning door Franse troepen werd geplunderd, bleef Hegels bewondering voor de Franse keizer (in wie hij altijd de zoon van Revolutie heeft gezien) ongebroken. Toen hij hem de dag vóór de slag voorbij zag komen, schreef hij aan een vriend: `De keizer - deze wereldziel – zag ik door de stad rijden om haar te verkennen; het is werkelijk een wonderbaarlijke ervaring zo'n individu te zien dat, hier geconcentreerd in één punt, te paard, de wereld in zijn greep neemt en beheerst'.

Bildungsroman

Op zijn manier had Hegel in de Phänomenologie iets soortgelijks gedaan, door op papier de gang van de geest te reconstrueren, van het eerste `zinnelijke' bewustzijn tot het uiteindelijke `absolute weten'. Het boek heeft iets van een filosofische Bildungsroman, waarin de hoogste kennis, het ultieme zelfinzicht van de geest, samenvalt met zijn eigen geschiedenis. Een geniale vondst, waardoor filosofie en wereld, denken en zijn, uit de bus komen als een allesomvattende `organische' eenheid.

Dankzij het wonder van de dialectiek (de `negativiteit' die de geest zelf voortbrengt en die de zaak op gang houdt) bleek het mogelijk alle tegenstellingen achteraf te begrijpen als de noodzakelijke fasen van een in wezen rationeel proces, met geestelijke vrijheid als resultaat. De verwarring van de moderne wereld berustte niet op toeval en willekeur, maar was in werkelijkheid de uitkomst van een rationeel te doorgronden ontwikkeling, die in het `absolute weten' van de filosofie haar eindpunt had bereikt.

Hegel beschouwde de Phänomenologie als de inleiding op zijn filosofisch `systeem', dat vervolgens nader diende te worden uitgewerkt. Want het metafysische patroon dat hij aan het licht had gebracht, moest in alle wetenschappelijke deelgebieden kunnen worden teruggevonden. Dit program zou hem de rest van zijn arbeidzame leven bezighouden, zij het weldra niet meer in Jena, waar het hem niet lukte een bezoldigd professoraat te bemachtigen. Na in Bamberg te hebben gewerkt als hoofdredacteur van een krant en in Neurenberg als rector van het gymnasium, kreeg hij eindelijk de leerstoel waar hij al zo lang naar had uitgezien. Eerst in Heidelberg en amper een jaar later – we schrijven 1818 – in Berlijn.

De Pruisische hoofdstad werd het decor voor Hegels nationale en internationale roem. Hij publiceerde er zijn Rechtsphilosophie en hield er de colleges over onder andere esthetiek en de filosofie van de geschiedenis, die – alle postuum gepubliceerd – tot zijn meest toegankelijke teksten behoren. Maar zijn betrokkenheid bij de Pruisische staat (die zijn honorarium betaalde) leverde hem ook het meest hardnekkige misverstand op over de aard van zijn denken. Het imago van Hegel als de conservatieve apologeet van het Pruisische absolutisme stamt uit deze periode.

Ten onrechte, betoogt Pinkard. Het is waar dat Hegel niet veel moest hebben van het rebelse nationalisme dat destijds onder de Duitse studenten opgang maakte en dat na de moord – in 1818 – op de ultrareactionaire toneelschrijver Kotzbue fel werd bestreden door de overheid. Maar toen sommige van zijn eigen studenten werden gearresteerd, schroomde hij niet om voor hen bij de politie en het ministerie in het geweer te komen. Zijn sympathie lag bij de hervormingsgezinde geesten in de Pruisische regering, die destijds eveneens door de Reactie werden bestreden.

Absolutisme

De `rationele staat' die Hegel schetst in zijn Rechtsphilosophie is dan ook zeker geen kopie van de Pruisische werkelijkheid, maar eerder een synthese van de rationele, op vrijheid gerichte, elementen die hij aantrof in de bestaande politieke instellingen van zijn tijd. En absolutisme hoorde daar voor Hegel, die altijd een voorstander van de constitutionele monarchie is geweest, beslist niet bij.

Dat zijn politieke filosofie niettemin de nodige dubbelzinnigheid bevatte, bleek pas goed na Hegels dood tijdens de cholera-epidemie van 1831. De Hegelianen vielen weldra uiteen in een `rechts' en een `links' kamp, waarvan het laatste dankzij Karl Marx verreweg de meeste aandacht heeft getrokken. Zoveel zelfs dat Hegel lange tijd vooral is beschouwd als de filosoof die Marx aan diens dialectiek had geholpen en wiens `idealisme' door Marx' `historisch materialisme' weer met beide voeten op de grond was geplaatst.

Toch heeft de ironie, die als `list van de rede' in Hegels geschiedfilosofie zo'n kapitale rol speelt, uiteindelijk in het voordeel van Hegel gewerkt. Want het door Marx geïnspireerde communisme was in 1989 nog niet ten val gebracht, of Francis Fukuyama sprak, geïnspireerd door Hegel en diens twintigste-eeuwse interpreet Alexandre Kojève, over het `einde van de geschiedenis', een frase die pas zin en betekenis krijgt wanneer je Hegels `absolute weten' erbij betrekt.

Voor Hegel was met het ultieme zelfinzicht van de geest de geschiedenis ten einde. Dat wil zeggen: beslis-sende wendingen, zoals hij er in zijn Phänomenologie en in zijn Philosophie der Geschichte diverse had beschreven, zouden niet meer plaatsvinden. De geschiedenis zou nog wel voortgaan, maar alleen om het bereikte inzicht in de rationaliteit van de werkelijkheid overal te `actualiseren'. Dat was de taak die Hegel met zijn filosofie meende te hebben mogelijk gemaakt: de voltooiing van de nieuwe wereld, die zich met de Franse Revolutie had aangekondigd.

Of die voltooiing inmiddels heeft plaatsgevonden, is nog altijd de vraag. Een krankzinnige vraag wellicht, maar om hem te kunnen beantwoorden, blijft het onvermijdelijk terug te grijpen op Hegels filosofie, waarvan in elk geval de inzet dankzij Pinkards gedegen biografie veel aan duisternis heeft verloren.

Terry Pinkard: Hegel. A biography. Cambridge University Press,

780 blz. ƒ107,-