Toen de gulden nog een steunpilaar van de dollar was

De euro is een munt zonder land. Elf van de vijftien lidstaten van de Europese Unie hebben zich verenigd in een Economische en Monetaire Unie, maar ze vormen geen politieke unie. Dit is een van de verklaringen voor de tot voor kort afkalvende koers van de euro. Zolang er geen politieke eenheid achter de euro staat, wordt het niets.

Deze mening was De Nederlandsche Bank dertig jaar geleden al toegedaan. In 1970 begon de toenmalige Europese Gemeenschap van zes landen aan een eerste poging een monetaire unie te vormen. Pierre Werner, de Luxemburgse premier en minister van Financiën, had een rapport opgesteld op verzoek van de Europese Raad van Den Haag (1969), waarin hij uiteenzette hoe een Economische en Monetaire Unie in tien jaar tot stand kon komen.

De Nederlandsche Bank zag er weinig in. Holtrop, de president van DNB, was van mening dat een gemeenschappelijke munt slechts mogelijk was binnen een politieke unie. Een jonge medewerker van de bank, André Szász, (later nauw betrokken bij de Europese monetaire samenwerking), schreef een artikel waarin hij de samenhang tussen monetair beleid en begrotingsbeleid uiteenzette. Dit vereiste volgens hem niet alleen de aanstelling van een Europese minister van Financiën die bevoegdheden over een federaal begrotingsbeleid zou hebben, maar ook een Europees parlement dat deze minister zou controleren en waaraan de nationale parlementen bevoegdheden zouden moeten afstaan. Minister van Financiën Witteveen (VVD) liet zich in vergelijkbare bewoordingen uit: een monetaire unie kan slechts tot stand komen als er tevens sprake is van economische en politieke integratie. Geen van tweeën zag dat spoedig gebeuren.

Het plan-Werner raakte bedolven onder de internationale financiële turbulenties van de jaren zeventig: de loslating van het stelsel van vaste wisselkoersen in 1971 en de oliecrisis van 1973. Maar de observaties over de samenhang tussen een monetaire en politieke unie zijn nog steeds actueel.

Deze gegevens zijn ontleend aan Tussen behoud en vernieuwing, het zesde deel van de geschiedenis van De Nederlandsche Bank, dat de periode 1948-1973 beslaat. Het boek, geschreven door Martin Fase, onderdirecteur van de Bank, is een nauwgezet gedocumenteerde, ietwat dorre studie.

Goud

Uit deze studie blijkt weinig van de opwinding over de monetaire ontwikkelingen in die jaren. Dat is opmerkelijk, want er gebeurde veel. Zo vermeldt Fase plichtsgetrouw dat in 1971 steeds meer landen besloten hun dollaroverschotten om te zetten in goud. Dat was toegestaan onder de regels van het stelsel van Bretton Woods zoals die na de Tweede Wereldoorlog van kracht waren. Daarin waren de westerse munten gekoppeld aan de dollar en garandeerden de Amerikanen een vaste goudprijs voor de dollar. Zijlstra, die Holtrop had opgevolgd als president van de centrale bank, wilde in de zomer van 1971 250 miljoen dollar bij de Amerikanen omwisselen in goud. De Amerikaanse onderminister van Financiën Paul Volcker reisde door Europa om de Europese centrale banken ervan te weerhouden hun dollars in goud om te zetten, want dit vergrootte de druk op de dollar en dreigde de goudvoorraden van de Amerikaanse centrale bank uit te putten. Zijlstra kwam de Amerikanen tegemoet en stelde de dollaromwisseling uit. Korte tijd later sloot Nixon het Amerikaanse goudloket. Mokkend beklaagde Zijlstra zich bij de Amerikaanse ambassadeur in Den Haag dat Nederland, als een van de meest loyale steunpilaren van de dollar in Europa, niet was uitgenodigd voor een bijeenkomst waar de Amerikanen hun stap toelichtten.

In 1951 was de Nederlandsche bank op een heel andere wijze bij een dubieuze dollartransactie betrokken. Werkspoor, de Nederlandse fabrikant van treinen die later is opgegaan in Stork, had een order bemachtigd ter waarde van 200 miljoen gulden voor de levering van treinwagons en locomotieven aan Argentinië. Prins Bernhard had in Buenos Aires bij de regering van generaal Perón actief gelobbied voor deze order. Daarbij was de betaling afgesproken van een `retourcommissie' van dertig miljoen gulden. Dit smeergeld, zoals Fase het noemt, moest door De Nederlandsche Bank in dollars worden uitbetaald op Argentijnse rekeningen.

Smeergeld

Moesten daarvoor de schaarse deviezenreserves worden aangesproken? De order was van nationaal belang voor de Nederlandse naoorlogse industrie en de steekpenningen werden in het geheim betaald met toestemming van de ministers van Financiën en Economische Zaken. Pas in 1976, in de nasleep van de `Lockheed-affaire', werd deze smeergeldbetaling door het kabinet bevestigd.

Deze drie voorbeelden illustreren dat De Nederlandsche Bank een centrale positie innam bij financiële en economische gebeurtenissen in Nederland. Het is jammer dat de plichtmatigheid waarmee Fase de bankgeschiedenis beschrijft, geen moment plaats maakt voor een gevoel van opwinding over het materiaal dat hij bij zijn archiefonderzoek heeft gevonden. Het vele werk dat in dit boek is gestoken, is in de uitputtend gedetailleerde stijl weerspiegeld. Voor studenten levert dit een technische naslagbron op, maar het verhaal is onnodig saai gebleven. Wellicht was dat indertijd de sfeer binnen De Nederlandsche Bank, toen speculerende valutahandelaren en crises in de financiële markten niet aan de orde van de dag waren. Maar monetaire geschiedenissen hoeven niet dor te zijn. Aan de hand van het unieke archief van de centrale bank had Fase op de kwart eeuw van financiële en economische veranderingen in Nederland een heel eigen licht kunnen werpen.

M.M.G. Fase: Tussen behoud en vernieuwing. Geschiedenis van de Nederlandsche Bank 1948 - 1973

Sdu Uitgevers, 703 blz. ƒ89,90