Sponsoring

In NRC Handelsblad van 18 december stond een artikel van Frits Huffnagel over sponsoring in het onderwijs: het zou iedereen ten goede komen. We zouden wel dom zijn om er geen gebruik van te maken.

Huffnagel heeft het niet over de minimale omstandigheden waaronder er in het onderwijs gewerkt moet worden. Hij schetst met enthousiasme de toenemende investeringen van sponsors en stelt dat bedrijfsleven en scholen hierbij alleen maar gebaat zijn. ,,In de naaste toekomst zullen onderwijsinstellingen en bedrijven steeds meer als een netwerk met elkaar verweven zijn''. En: ,,Al deze vormen van samenwerking, of sponsoring in natura, liggen nauwelijks gevoelig. Ze voldoen aan de norm dat het primaire proces van het onderwijs, ook zonder financiële bijdrage van derden, op kwalitatief hoogwaardig niveau blijft.''

Ik neem aan dat Huffnagel met ,,het primaire proces van het onderwijs'' de normale, dagelijkse gang van zaken binnen een school bedoelt. Nou, die is al jaren niet meer op een kwalitatief hoogwaardig niveau. Domweg omdat er al jaren te weinig geld in het onderwijs gestoken wordt.

Het ontbreekt het onderwijs aan normale basisvoorzieningen. Of je het nu hebt over een fatsoenlijke wc, over leermiddelen, over een kopieerapparaat of over een salaris: alles bevindt zich onder het basisniveau! Dus `blijft' is een verkeerd woord in dit verband!

Huffnagel schetst een `enorm impuls' voor onderwijs en samenleving. Maar dat enorme impuls zou van de overheid moeten komen! Natuurlijk heeft het onderwijs geld nodig, maar dat moet toch niet van sponsors te komen? Het onderwijs is een basisvoorziening en die moet in orde zijn.

Juist in de huidige armoedige situatie kan afhankelijkheid van sponsors gemakkelijk ontstaan. En we weten uit andere sectoren tot welke uitwassen dat kan leiden.

Onderwijs en bedrijfsleven kunnen elkaar bij tijd en wijle misschien positief beïnvloeden, maar het is zeker niet zo, dat ze elkaar nodig hebben om tot optimale resultaten te komen, zoals Huffnagel stelt. Dat is verkooppraat.