`Proust wakkerde mijn filosofische hartstocht aan'

De Duitse filosoof Rüdiger Safranski schreef boeken over Schopenhauer, Heidegger en Nietzsche. Marcel Proust wees hem op de wijsbegeerte.

,,Aan de filosofie heeft mij altijd het literaire aspect geïnteresseerd', zegt Rüdiger Safranski, ,,en aan de literatuur het filosofische.' Safranski schreef intellectuele biografieën van de stilistisch begaafde filosofen Schopenhauer, Heidegger en Nietzsche; zijn Nietzsche-boek kwam onlangs uit in een Nederlandse vertaling. Zijn werk werd alom geprezen om de didactische, heldere betoogtrant, waarmee hij filosofische theorieën voor een groot publiek toegankelijk maakte. Safranski (1945), in Amsterdam vanwege een Nietzsche-symposium in het Goethe-instituut, vertelt in zijn hotel dat A la recherche du temps perdu van Marcel Proust hem de weg naar de filosofie heeft gewezen.

,,Proust heb ik voor het eerst gelezen toen ik een achttienjarige scholier was op het gymnasium, in de prachtige Duitse vertaling van Eva Rechel-Mertens. Al bij de eerste lezing had ik de indruk dat je door dat boek een historische verhouding tot je eigen verleden kunt krijgen; het is alsof je in je eigen kinderjaren leest. Het gevoel voor de vervliegende tijd, ook het geluksgevoel dat je hebt als je daaruit iets vasthoudt, dat was er al meteen. Alle delen van de roman heb ik met tussenpozen steeds weer gelezen, en daardoor kwam ik mezelf als lezer in verschillende tijdperken van mijn leven opnieuw tegen. En daar komt zo'n intens gevoel bij; het is voor mij een ritueel geworden, dit boek regelmatig op te slaan.

,,Het werk van Proust is een literaire poging om over vergankelijkheid en tijd na te denken. Ik kan geen filosofisch werk bedenken waarin zo prachtig over het probleem van de tijd is geschreven. Toen ik het voor het eerst las op school, wakkerde het mijn filosofische hartstocht aan; het deed me besluiten om germanistiek en filosofie te studeren. Proust wijst je erop hoe rijk de werkelijkheid is wanneer je die intensief waarneemt. Filosofisch gesproken is hij een fenomenoloog, die ons duidelijk wil maken dat we onze zintuigen moeten vertrouwen, en dat we ons ervoor moeten hoeden te snel theoretische constructies in ons hoofd te vormen. De werkelijkheid in haar rijkdom op je toe laten komen en niet daartussen een theoretisch filter te hebben, dat speelt bij Proust een rol en ook bij de fenomenologische filosofie. Voor mij is de fenomenologie van filosofen als Scheler, Husserl, Heidegger en Sartre maatgevend, maar de fenomenologie bevalt me het best als ze is omgezet in literatuur, zoals bij Proust.'

Heeft het lezen van Proust hem ook tot schrijven aangezet? ,,Ik schreef al gedichten en vooral dagboeken', zegt Safranski. ,,Nadat ik Proust gelezen had, leek mijn eigen dagboek zo monotoon. Wanneer ik direct over mezelf schreef, dan draaide ik in een cirkel rond; ik kreeg het gevoel dat je jezelf beter kunt leren begrijpen wanneer je een omweg maakt. Zoals Prousts roman wel autobiografisch is en toch ook niet: het is fictief. Het gaat altijd op de een of andere manier om jezelf, maar de vraag is: hoe kom je tot jezelf? Door het lezen van Proust leerde ik dat ik een omweg moest kiezen.'

Die omweg liep via de universiteit van Frankfurt am Main, waar Safranski Adorno en Horkheimer hoorde; daarna ging hij naar de Freie Universität van Berlijn, waar hij promoveerde. Al sinds zijn lagere schooltijd in het Zuid-Duitse Rottweil was Safranski gefascineerd door de filosoof Martin Heidegger. ,,Dat kwam door het verhaal van een leraar, die in de winter bij een besloten lezing van Heidegger over Hölderlin aanwezig was geweest. Stelt u zich voor, iedereen zit op Heidegger te wachten. De deur gaat open en Heidegger komt binnen uit de winteravond. Het sneeuwt, daardoor is hij te laat; hij trekt zijn jas uit, die overdekt is met sneeuw, hij schudt zijn jas uit en de sneeuw stuift door de kamer, over de toehoorders heen. En daarna begint Heidegger uit Hölderlin voor te dragen. Dat beeld is in mijn hoofd blijven zitten.

,,In 1964 kwam van Adorno een heel kwaad boek over Heidegger uit, Jargon der Eigentlichkeit. Innerlijk werd ik heen en weer geslingerd tussen Adorno en Heidegger. Toen ik vele jaren later dat Heidegger-boek schreef, deed ik dat ook om dat persoonlijke conflict te ontvouwen, en ik geloof dat het succes van dat boek samenhangt met het feit dat velen van mijn generatie zich in deze spanningsverhouding tussen Heidegger en Adorno herkend hebben. Ik ben meer Heideggeriaan, mijn hart ligt daar, maar een deel van mijn begrip ligt bij Adorno. Ik houd van metafysici, en Heidegger is een metafysicus, maar ik heb de metafysici graag op een afgekoelde wijze. Voor mij was Adorno het koelmiddel. Toen ik met Heidegger klaar was heb ik eraan gedacht een boek over Adorno te schrijven, maar hij was niet belangrijk genoeg voor me om daar vier of vijf jaar aan te wijden. In de toekomst wil ik nog een filosofisch dubbelportret schrijven van Heidegger en Adorno. Der heimliche und der unheimliche Metafysiker.'

Wanneer kwam hij voor het eerst met Nietzsche in aanraking? Safranski: ,,In de puberteit heb ik met een vriend Nietzsche gelezen, ook omdat de leraar zei dat we dat niet moesten lezen, dat het veel te gevaarlijke lectuur was. Dus gingen we juist Nietzsche lezen. In het zwembad legden we Zarathustra op de handdoek zodat iedereen het kon zien. In Duitsland stond Nietzsche na de oorlog door de nationaal-socialistische inlijving van zijn werk in een kwade reuk. Hij was in zekere zin een verboden schrijver. Zarathustra vind ik trouwens het slechtste boek van hem. Die Geburt der Tragödie, dat ik las tijdens mijn studie, daar was ik pas van ondersteboven. Zijn analyse van de cultuur in twee drijvende krachten, het apollinische en het dionysische, die geldt nog steeds. Later merkte ik dat het dionysische van Nietzsche veel te maken heeft met Schopenhauers filosofie van de wil, en toen ik het Schopenhauer-boek schreef, werd het me duidelijk dat ik ook een boek over Nietzsche moest schrijven.'

Safranski beschouwt zijn boeken over Schopenhauer, Heidegger en Nietzsche als een trilogie. Wat de drie volgens hem met elkaar verbindt is dat ze proberen een `heldere, rationele taal voor het irrationele te vinden'. ,,Alledrie zijn ze ervan overtuigd dat ons leven een ongelooflijk complex, geheimzinnig gebeuren is dat we met ons verstand slechts tot op zekere hoogte bevatten kunnen. In mijn Nietzsche-boek breng ik mezelf op het eind een beetje op de voorgrond, waar ik zeg dat ik bij Nietzsche altijd dat schilderij in mijn hoofd heb van de romantische schilder Caspar David Friedrich, Der Mönch am Meer (1809). Een monnik, staande onder een grauwe hemel, voor de weidse zee; een kleine figuur en een immense horizon.

,,Dat beeld gaat ook op voor de twee andere filosofen. Proberen te denken, te schrijven met het gevoel dat je in een immense ruimte je licht laat schijnen, en daarbij alleen enkele dingen in het vizier kunt krijgen. Zonder je daardoor te laten beangstigen. Juist filosofen die in de afgrond gekeken hebben vind ik troostrijk en betrouwbaar. Ik ben zelf eerder een optimistisch, opgewekt mens en daarom trekt me dat zo aan.'

Marcel Proust: A la recherche du temps perdu. Gallimard/Quatro, ƒ83,85 (pbk)