Patijn: Gümüs had best kunnen blijven

Het gedwongen vertrek van de Turkse kleermaker Gümüs in 1997 was het gevolg van een `anti-Amsterdams sentiment' onder Haagse politici die Gümüs aan een verblijfsvergunning hadden kunnen helpen, meent Schelto Patijn, de scheidende burgemeester van Amsterdam.

In een vraaggesprek met de lokale zender AT5 zei Patijn gisteren dat Gümüs' verblijfsstatus als `witte illegaal' geen enkel probleem zou hebben opgeleverd ,,wanneer Gümüs in Winterswijk had gewoond''. Nu de burgemeester van Amsterdam zich voor hem inzette, heerste in politiek Den Haag de stemming ,,daar heb je Patijn weer met die grote bek voor zijn stad''.

Patijn vertelde dat zijn strategie rond de Turkse kleermaker – die niet beschikte over de juiste papieren voor een permanente verblijfsvergunning – op ,,een list'' berustte. Gümüs' kinderen, die in Nederland waren ingeburgerd, zouden op humanitaire gronden een verblijfsvergunning kunnen krijgen van staatssecretaris Schmitz (Justitie), waarna ook de ouders als hun verzorgers zouden kunnen blijven. Patijn, die eerder het vertrek van Gümüs zijn grootste `nederlaag' heeft genoemd, beschreef gisteren hoe prominente PvdA-partijgenoten weigerden hem te steunen: Schmitz vreesde ten val te komen, fractieleider Wallage kon niets doen. Premier Kok weigerde een machtswoord te spreken.