Judas en Petrus ineen

Het CS portretteert zeven personages uit J.J. Voskuils romanserie `Het Bureau'. Nummer 6: Ad Muller

`Er was iets in het gedrag van deze jongen dat hem verontrustte', denkt Maarten Koning wanneer Ad Muller hem in 1967 meedeelt dat hij definitief kiest voor een leven op Het Bureau. De tengere germanist met zijn karakteristieke uitdagende lachje (`alsof hij dacht: zeg daar maar eens wat van') loopt dan al een jaar of vier op Maartens afdeling rond. Binnengekomen op voorspraak van zijn vriendin Heidi, heeft hij meegewerkt aan het grote kaartsysteem, met een korte onderbreking toen hij zijn geluk probeerde als accountant. Zijn terugkeer is ongetwijfeld ingegeven door de relatief ontspannen werksituatie op Het Bureau; hij weet nu dat hij elders in de maatschappij heel wat harder zal moeten werken.

Ad is geen fanatieke werker. Tot groeiende ergernis van Maarten – die echt niet veel vergt van zijn ondergeschikten – komt hij 's morgens steevast een half uur te laat, neemt hij anderhalf uur lunchpauze en gaat hij 's middags vaak vroeger naar huis. Ad geeft de lijntrekkende ambtenarij een slechte naam. Met de werkdruk als verklaring laat hij zich om de haverklap door Heidi ziek melden. `Ad is warm', zegt ze dan; hij heeft `moeë ogen' of `een stip in zijn keel.' Hij blijft thuis als hij kritiek krijgt op het werk, als hij een medisch onderzoekje in het vooruitzicht heeft, of gewoon als hij geen zin heeft. ,,Ik wou me maar ziek melden vandaag'', zegt hij in een typerend telefoongesprek. ,,Ben je ziek?'' vraagt Maarten. Waarop het antwoord luidt: ,,Nou, echt ziek nog niet, maar als ik nu de deur uit zou gaan, zou ik ziek worden. Dus blijf ik liever thuis.''

Ad is in de romancyclus Maartens naaste medewerker, maar zijn baas went nooit aan hem; Maarten zegt zich zelfs `in zijn contacten met Ad' te generen over `de snelle overgangen in zijn gevoelens van sympathie naar antipathie.' En dat terwijl ze veel gemeen hebben: een sarcastisch gevoel voor humor, een linkse instelling, een dogmatische partner, en vooral liefde voor dieren. In de eerste delen van Het Bureau passen Ad en Heidi tijdens de zomervakantie op de katten van Maarten en Nicolien. Wanneer ze dat vanaf de zomer van 1975 niet meer willen doen – volgens Maarten omdat hij en Nicolien geweigerd hebben om samen met Ad en Heidi een huis te kopen duurt het maanden voor de verhoudingen in de werkkamer aan weerszijden van de boekenkast weer een beetje hersteld zijn.

Maarten zoekt (eist!) solidariteit van zijn collega's en dat is juist wat de aartsopportunist Ad hem niet kan geven. Pas aan het eind van zijn tijd op Het Bureau lijkt er wederzijds respect, en zelfs genegenheid te ontstaan. In zijn laatste woorden tot de `Wetenschapscommissie' noemt Maarten Ad de Rijkaard, de spelverdeler, van zijn afdeling; Ad houdt bij Maartens afscheid een warme toespraak. Des te harder komt de klap aan wanneer Ad in deel 7 Maartens wetenschappelijke nalatenschap en beleidsprincipes verkwanselt en uiteindelijk zelfs zijn vroegere baas verraadt én verloochent. Hij is Judas en Petrus ineen, en usurpeert heel symbolisch aan het eind van de roman het bureau van Beerta, waaraan Maarten als vutter nog regelmatig werkt.

,,Ad is de ergste'', zegt een van de weinige collega's die Maarten zijn trouw gebleven. ,,Die man moet je gehaat hebben. Vanaf de dag dat jij weg was heeft hij alles veranderd. Die man lijkt zo down to earth en integer, maar hij is levensgevaarlijk.'' Voor Maarten is dit de bevestiging van zijn twintig jaar oude voorgevoelens. De lezer kan er ook iets anders in zien. Ad is de zoon die zich met veel geweld ontworstelt aan de verstikkende invloed van zijn vader. Niet haat is zijn drijfveer, maar een verlate puberteit. De dag is gekomen dat Maarten zijn kind moet loslaten.