Hoe klinkt een dood dier?

Dode vliegen die dichten, video's van bevroren lijken zijn te zien op de expositie met kunst en wetenschap over dood en leven in Arti in Amsterdam.

Gelukkig, ek is hier, ik ben er nog, denk ik nadat ik midden in de nacht wakker geschrokken ben uit een droom waar een vals spook boven zweefde. `Ja, ek is hier en ek hoef nie weg te gaan, dink jy wanneer jy wakkerskrik in die nag' schreef Elisabeth Eybers in een gedicht dat ooit in deze krant heeft gestaan, met een mooie foto van Eybers erbij, zittend aan een eettafel waar een kleed op lag, wat haar leeftijd benadrukte; jonge mensen leggen allang geen kleed meer over het tafelblad heen, laat de krassen maar gerust komen.

Het gedicht heeft jaren boven mijn bed gehangen, als ik 's nachts zwetend uit een boze droom ontwaakte deed ik het licht aan en herlas het keer op keer om mezelf ervan te overtuigen dat ik nog bestond, dat de dood me niet was komen halen. Nee hoor, ek is hier, ek is hier, ek is hier en ek hoef nie weg te gaan, fluisterde ik als een mantra, terwijl ik naar de foto van Elisabeth Eybers staarde. De tafel, het kleed, een vaas met tulpen, een grijsharige vrouw met een voornaam gezicht, ze waren er nog steeds, net als ik.

Van dat alles is weinig gebleven. Het knipsel vergeelde, het viel van de muur, bleef daar nog een tijdje liggen en raakte ten slotte zoek. Van het gedicht herinner ik me alleen nog de eerste zin en zelfs daarvan weet ik niet of ik hem correct citeer (en spel). En de foto? Zat Eybers wel aan een tafel? Lag er echt een kleed op? En stond er een oud-hollandse kast achter haar of was dat op een andere foto? Ik kan het niet met zekerheid zeggen, mijn geheugen speelt vaker een vuil spelletje met me.

Wat wel bleef was het `ek is hier, ek is hier' fluisteren midden in de nacht. Haar woorden, mijn belemmerde ademhaling. Na zo'n halfdoorwaakte nacht kwam de dag traag op gang, uren zat ik aan de bekraste keukentafel, dronk koffie met warme melk en las oude kranten door. In één oude krant stond een stuk van Arnon Grunberg, die pissig was op Rudy Kousbroek. Dat kon mij niet veel schelen, maar mijn ogen bleven haken achter een zin van Grunberg. Hij schreef: `Ik geloof dat het beter is dat dagelijks tienduizenden biggen worden gedood dan dat één mens zijn been verliest'. Hij vond het varkensdrama (waarover Kousbroek zich druk heeft gemaakt) een schijnprobleem omdat er ook een mensendrama aan de gang was. Blijkbaar kon er zich, in zijn visie, slechts één drama tegelijk afspelen en verwees dat alle andere drama's naar de achtergrond. Het was een mediagenieke opvatting van het begrip drama, die bij het achtuurjournaal vermoedelijk op bijval zou kunnen rekenen maar niet de mijne was.

Amnesty

Ik schonk nogmaals koffie in en dacht na over het been dat tienduizenden geslachte biggen waard was. Ik had het vermoeden dat het Arnon Grunbergs eigen been moest zijn, want niets is eenvoudiger dan het been van een ander weg te geven; lees daar de rapporten van Amnesty International maar op na.

Nee, het was vast zijn eigen been. En als Grunbergs been tienduizenden biggen waard was, hoeveel biggen zou hij dan in totaal, van top tot teen, waard zijn, vroeg ik me weetgraag af en maakte een snelle schatting.

Met dat slimme jongenshoofd van hem erbij was hij zeker driehonderdduizend biggen waard, schatte ik, als ik tenminste de cijfers naar boven afrondde. Het was aangrijpend om te zien hoe één stellige opmerking over moraal al een inwendig slachtveld van je kon maken. Arnon Grunberg was in een morsdode biggenberg veranderd en mijn hart deed er zeer van.

De reikwijdte van de bio-industrie gaat ook de schilder Paul Nassenstein ter harte. Hij maakte er een schilderij over. Op `scharrellandschap' uit 2000 staan koeien, paarden, eenden, herten, kippen en varkens, waaronder zelfs zogende varkens, bijeengedreven binnen een grote omheining in een vuil, desolaat landschap dat gedomineerd wordt door hoge fabriekspijpen en bordjes met teksten erop die Nassenstein uit kartonnen dozen geknipt heeft. Vleeskroketten staat erop, nogmaals vleeskroketten, FEBO en rundvleeskroketten (dat is voor de goedgelovigen onder ons). Aan de zijkant van het schilderij is een grote gele letter M geschilderd; het logo van McDonalds. De dieren binnen de omheining leven nog, maar je weet: zodra ze naar buiten gedreven zijn worden ze gedegradeerd tot grondstof, handelswaar. Ondanks die duidelijke boodschap ontaardt het schilderij niet in een simpel lesje maatschappijkritiek. Dat komt denk ik door Nassensteins verrassende werkwijze. Hij gebruikt niet alleen verf, maar ook klodders lijm, kinderklei, karton, stukjes stro en beschilderde plastic figuurtjes om een voorstelling mee te maken. Door die ongewone en onnozele materialen wordt de drammerigheid van het schilderij opgeheven. Ze geven aan het werk de uitstraling van een jammerlijk mislukte kerststal: wéér geen vrede op aarde dit jaar, jongens en meisjes, het is en blijft een dooie beestenboel hier.

Met die ijselijke gedachte in mijn hoofd fietste ik 's avonds naar Arti et Amicitiae, waar een tentoonstelling werd geopend die `IS ER STRAKS NOG VERSCHIL TUSSEN LEVEN EN DOOD?' heette. In het persbericht had gestaan dat de tentoonstellingszalen van Arti getransformeerd zouden worden tot een groot laboratorium, waar kunstenaars en wetenschappers niet alleen hun werk zouden laten zien, maar ook zouden gaan samenwerken om dichter bij het antwoord op die vraag te komen. Ik was een mens met een missie, want als STRAKS een beetje opschoot zou een mensenbeen wellicht niet meer het leven hoeven te kosten aan tienduizenden biggen. Dan konden mensendrama's en dierendrama's gezamenlijk uit volksdansen gaan en zou het eindelijk vrede op aarde worden.

Droog ijs

Er hing een vrolijke en geïnspireerde sfeer op de opening bij Arti. Erik Hobijn had in een van de zalen zijn 'Chemobar' ingericht, een vervaarlijk-medisch uitziende installatie waarbij je kon aanschuiven om cocktails uit reageerbuisjes te drinken. De damp sloeg van de buisjes af, wat veroorzaakt werd door de toevoeging van `droog ijs', dat 79 graden onder nul is en dat je beter niet kon doorslikken als je leven je nog lief was. De cocktails hadden namen als `Blood explosion', `Anorexia relax' en `Death dog energy', de laatste werd aangeprezen met de slogan `how to suck energy out of a dead animal'.

Phil Bloom hield een performance, een kleine ceremonie waarbij een gedeelte van haar hoofdhaar weggeschoren werd om een litteken, relict van een oude hersenoperatie, bloot te leggen. Ruud Lanfermeijer, die zichzelf `interaction designer' noemt, iemand die gedrag ontwerpt, had een computergestuurde installatie gemaakt geënt op een begrip uit de quantummechanica: de parallelle wereld. Met een camera werd je geregistreerd en op de wand geprojecteerd zodra je zijn ruimte binnenkwam. Je kon je beeld ook manipuleren door geluiden te maken in een microfoon, iets dat veel bezoekers met zichtbare overgave deden. Ze gedroegen zich alsof ze in een dierentuin waren en de aandacht van de dieren achter de tralies probeerden te trekken, met één verschil: ditmaal vielen gekooid dier en bezoeker samen.

In de achterste zaal, zorgvuldig afgeschermd met dun gaas, werden door het kunstenaarsduo Startel, gekleed in witte doktersjassen, vliegen gekweekt. Bedrijvig waren beide mannen met maden in de weer. Op een wand was met – bijna onzichtbare – kleefletters een gedicht weergegeven dat ging over de eindigheid van het bestaan. De bedoeling was dat de vliegen op de letters zouden gaan zitten kleven en zo het gedicht zichtbaar maakten. Hun leven stond in dienst van de kunst, met hun dood maakten ze de kunst levend. Als Startel andere dieren dan vliegen had gebruikt voor hun kunstwerk hadden ze vast de dierenbescherming op hun dak gekregen, maar niet met vliegen, iedereen heeft de pest aan ze, zelfs dierenbeschermers.

Op de tentoonstelling, die ingericht is met de afgedankte inboedel van het Centraal Laboratorium voor Bloedonderzoek, zijn ook video's, knipsels en tekeningen te zien van wetenschappers. Van Gunter von Hagens, een anatoom-patholoog die echte dode mensen weet te conserveren door middel van een speciale techniek die hij `plastinatie' genoemd heeft en waarbij het weefselvocht en -vet vervangen wordt door kunststof. Op een video is een variant op deze methode te bewonderen: mensen die in bevroren toestand eerst van top tot teen in dunne plakken gezaagd zijn die daarna tussen roosters worden gelegd, gedraineerd, ontvet en tot slot met kunststof geïmpregneerd. Het resultaat is schitterend, sterfelijkheid en onsterfelijkheid zijn in de dunne plakjes mensenham samengeperst.

Een andere wetenschapper, Pek van Andel, vertelt in de catalogus licht baldadig over zijn onderzoek waarvoor hij eerder dit jaar de igNobelprijs, de alternatieve Nobelprijs, won. Hij heeft MRI-scans, scans waarop alle organen zichtbaar zijn, gemaakt van mensen die aan het neuken zijn, iets dat nog nooit eerder gedaan was. Van Andel schrijft op het idee gekomen te zijn door een MRI-scan van het strottenhoofd van een zanger die `aaaaaaa' zong die hij op een symposium zag en wondermooi vond, en ook door de beroemde (foutieve) anatomische tekening van Leonardo da Vinci van een coïtus. Van Andels motieven waren in de eerste plaats esthetisch: zou zo'n afbeelding mooi zijn? en technisch: zou het lukken om een goede opname te maken van vrijende mensen? Maar gedurende het onderzoek kwamen ook nieuwe medische inzichten naar voren; zo werd bijvoorbeeld duidelijk dat de baarmoeder helemaal niet opzwelt tijdens het neuken, zoals jarenlang gedacht werd. In zijn artikel benadrukt Van Andel `het doorslaggevend belang van verbeeldingskracht, spel, speelruimte, zijsporen en academische vrijheid'. Hij breekt een lans voor serendipiteit in de wetenschap, dat is een vondst doen waar je niet naar gezocht hebt. Maar vertrouwen op het toeval is het moeilijkste dat er op de wereld bestaat.

Gezoem

Ik sprak met Martin uit den Bogaard, een vriendelijke, bevlogen man, die de tentoonstelling heeft samengesteld. Van hemzelf zijn er onder andere kleine dode dieren te zien die in plexiglas bakjes liggen te vergaan, de meest pure vorm van een stilleven dus. Om de energie die bij dat proces vrijkomt te tonen wordt ze via elektrodes in geluid omgezet dat uit boxen naast de diertjes komt. Ik was benieuwd hoe een dood dier zou klinken. Ik hoorde alleen een licht gezoem, als van een ventilator.

Ik vroeg Martin uit den Bogaard wanneer het verschil tussen dood en leven opgeheven zou worden. Hij legde uit dat ik dat ruim moest zien, dat het er vooral om ging dat materie onophoudelijk in beweging is, zowel van `dode' als van `levende' organismen. Dat alle stoffen steeds verbindingen aangaan met andere stoffen en zich daar ook weer van losmaken, dat er geen stilstand bestond. (Jammer genoeg ging het om een herrijzenis op moleculair niveau, niet op persoonlijk niveau, dus de varkens hadden er niks aan.) Uit den Bogaard vertelde dat hij hierdoor zijn eigen bestaan erg was gaan relativeren en dat hij vaak ontzettend moest lachen als hij zag hoe serieus mensen hun leven namen. Lachen wilde ik ook wel, maar ik zat met de mensendrama's en de dierendrama's in mijn maag en zei dat tegen Uit den Bogaard. Hij antwoordde dat hij ooit een koe had willen slachten in een galerie, om het sterven van dieren, dat meestal ver weggestopt wordt, zichtbaar te maken. Maar er was zoveel protest van dierenbeschermingsorganisaties tegen gerezen dat de performance afgezegd had moeten worden. En hij voegde eraan toe dat hij ook graag eens een oorlogsslachtoffer uit Kosovo in een plexiglas kist had willen tentoonstellen tot het lijk volkomen verteerd was, zodat mensen de realiteit van de oorlog hadden kunnen ervaren. Dat leek me een spannend idee, alleen vermoedde ik dat de toeschouwers zo woedend zouden worden dat ze Uit den Bogaard, als boodschapper van het slechte nieuws, ter plekke zouden doodslaan. Zien is de onverdraaglijkste vorm van weten. Uit dat gegeven put de beeldende kunst haar kracht, maar het kan gevaar opleveren voor de kunstenaar.

Met driehonderdduizend gedachten in mijn hoofd ging ik terug naar huis. Thuisgekomen zocht ik naar een mooi gedicht over dood en leven om dit stuk mee te beëindigen, want wie door de dichtkunst tot leven is gekomen zal ook door de dichtkunst vergaan. Wie werd het? Eybers weer? Of Eliot? Nee, toch Drummond de Andrade, my alltime favourite. Ik werd in mijn keuze gesterkt door de flaptekst van de bundel, die meldde dat Drummond met zijn werk bewijst dat het leven, ongerijmd als het is, toch leefbaar is. `Mal du siècle' heet dit, voor Drummond ultrakorte, gedicht:

Als was de wereld van droefheid

tussen hemel en aarde niet genoeg

(voornamelijk op aarde),

komt daar de landbouwdeskundige,

ontdekt het droefheidsvirus in de si-

naasappeltjes.

(vertaling: August Willemsen)

Is er straks nog verschil tussen leven en dood? Arti et Amicitiae, Rokin 112, Amsterdam. tot 21 jan. 2001 di/vr 13 tot 19 u. za/zo 13 tot 18 u. 24, 25, 26, 31 dec. gesloten. Forumdiscussie do 11 jan. 20.30