Gianni Schicchi verheft het banale tot lyriek

In het chique Amsterdamse Concertgebouw is Puccini's klucht Gianni Schicchi – maandagmiddag rechtstreeks op tv tijdens de traditionele Kerstmatinee – flink opgesjiekt. Het vroeg-middeleeuwse, het volkse of de commedia dell'arte, die men vaak in geënsceneerde uitvoeringen van dit Dante-verhaal ziet, zijn hier afwezig. De vijftien zangers zijn gestoken in hun goeie goed en rokkostuum. We verkeren in de kringen van de betere Florentijnse bourgeoisie, waar na de dood van oom Buoso zijn testament valselijk wordt herschreven. Zo moet zijn erfenis niet naar de kerk gaan maar naar de familie.

Al is de uitvoering concertant, deze vijftig minuten durende opera biedt puur en vermakelijk gedetailleerd theater, zo bleek gisteravond bij een eerste uitvoering in de opera-serie van het Concertgebouw. Er is een uitvoerige zeer Italiaanse familie, die voor de vorm wel rouwt om de overledene, maar verder vooral hypocriet en konkelend uit is op eigen belang. Dat er in de concertzaal geen hemelbed staat met het lijk van de overledene, is juist wel goed. Oom Buoso doet immers niet meer mee. De hoofdrol is voor de erfenis, waarmee de handige Gianni Schicchi aan de haal gaat: de muilezel (de beste van Toscane), het huis, de molens van Signa. En ondertussen groeit en bloeit ook nog de liefde tussen Rinuccio en Lauretta.

Voor het orkest is een breed stuk podium aangebouwd waar de zangers met verve het verhaal uitbeelden. En natuurlijk wordt ook de rest van het podium gebruikt. Het testament wordt tussen de leden van het Koninklijk Concertgebouworkest tot in de celesta gezocht. Dirigent Riccardo Chailly staat de onderlinge twisten nog wat op te poken. Aan het slot zingen Rinuccio en Lauretta op de lange trap hun duet over het gouden Florence en hun in eerste kus in Fiesole.

Gianni Schicchi heeft het laatste woord: de centjes van Buoso zijn bij niemand beter dan bij hem. In de geacheveerde uitbeelding van Bruno de Simone is Gianni Schicchi met zijn professorale brilletje en zijn nette manieren de keurige maar doortrapte vertegenwoordiger van het quasi-linkse Italië. Hij neemt de rijken wel wat af, maar dat doet ten eigen bate. En zo is dit operaatje te beschouwen als een sardonische kanttekening bij de officiële kerstsfeer van vrede op aarde en iets toeschuiven aan de minder bedeelden.

De vocale en muzikale uitvoering is door Chailly voortreffelijk samengesmeed ensemblewerk op het gebruikelijke kerstfeestniveau met het orkest kwikzilverig wendbaar in de vele tournures, kleurrijk en vol dramatische contrasten. De Venezolaan Aquiles Machado toont als een kordate Rinuccio ruim voldoende van het vereiste tenorenpathos en de lange Daniela Barcellona is als Zita de vanzelfsprekende presidente van de twistende familie.

Lauretta's altijd veel te korte aria O mio babbino caro is hier opnieuw hèt wonder van Gianni Schicchi: een gouden zonnestraal, die plots vanuit de hemel al het aardse gedoe even stilzet en omvat in een magisch lieflijk licht. In de uitvoering van Elisabetta Scano klinkt die hier niet, zoals gebruikelijk, als de overgeësthetiseerde toegift maar als een gepassioneerde liefdesverklaring met een ècht Italiaans en wat volks timbre. En ook Addio Firenze, waarin Schicchi de familie wijst op mogelijk hoogst onaangename consequenties van de vervalsing, heeft diezelfde Italiaanse uitstraling, die het banale verheft tot zuidelijke lyriek.

Van die zonnige Italiaanse ansichtsfeer was ook veel te horen in de vier korte diverterende stukken van Puccini's tijdgenoot Giuseppe Martucci, die alleen gisteravond aan Gianni Schicchi voorafgingen. Zijn Notturno (1901) zweemde zelfs naar het Adagietto uit Mahlers Vijfde symfonie, sinds Visconti's Death in Venice ook al gesitueerd in Italië.

Concert: Koninklijk Concertgebouworkest en solisten o.l.v. Riccardo Chailly. Programma: G. Martucci: div stukken; G. Puccini: Gianni Schicchi. Gehoord: 21/12 Concertgebouw Amsterdam. Herh.: 25/12. Ned 2 en Radio 4: 25/12 15 uur.