Fascist en vermist

Op de tentoonstelling over het undergroundtijdschrift Tante Leny (t/m 7/1 in het Rotterdamse kunstcentrum Witte de With) is Peter Pontiac een van de prominente aanwezigen, naast generatiegenoten als Joost Swarte, Ever Meulen en de vorig jaar overleden tekenaar Mark Smeets. In tegenstelling tot die collega's publiceert Pontiac (pseudoniem van Peter Pollmann) nog regelmatig nieuwe stripboeken, zoals het recentelijk verschenen Kraut, waarvan lezers van deze krant al een voorproefje konden bewonderen (in CS 8.12.00). Al is het niet helemaal duidelijk of dit boek nog wel als `strip' valt te classificeren.

In Kraut gaat Pontiac op zoek naar zijn vader die `fout' was tijdens de oorlog en jaren later op mysterieuze wijze verdween op Curaçao. De twee belangrijkste vragen die hij aan zijn vader stelt zijn: `Waarom vermist & Waarom fascist?'. Op basis van een met persoonlijke herinneringen aangevuld bronnenonderzoek, schreef en tekende Pontiac een romanlange brief aan zijn vader Joop Pollmann.

Het verhaal dat afwisselend in vragende en constaterende vorm is geschreven, begint met een schets van Pollmanns dood op de Antillen. Daar werd op 24 februari 1978 een onbeheerde Volkswagen gevonden aan de rand van de Daaibooibaai. Aangezien de auto door ene Joop Pollmann was gehuurd en iemand eerder die dag een man van middelbare leeftijd eenzaam de zee in zag lopen, lijkt de conclusie dat die duik hem fataal is geworden terecht. Om het waarom van deze zelfmoord te beantwoorden reconstrueert Pontiac het leven van zijn vader tot in de kleinste details.

Dat leven valt grofweg in drie periodes in te delen. Jeugd, oorlog en daarna.

Als kind van een katholieke winkelier in Leiden, werd Pollmann religieus, of zoals men dat toen noemde `paaps' opgevoed. Een aantal zaken uit de vroege jaren zijn opvallend: de jonge Pollmann speelde `kerkje' met zijn broers en zusters. Als oudste kind speelde hij de priester en stak hij lange speeches af. Ronduit vertederend zijn de kindertekeningen uit die tijd van heiligen en Jezus-met-buikje aan het kruis. Tekenaar Pontiac levert nu en dan commentaar op het perspectiefgebruik van zijn vader en neemt alvast een voorproefje op de latere analyse: het preken vanaf het mini-altaartje is een voorbode van de gedrevenheid waarmee hij later propaganda zou maken voor de nazi's.

Tot die tijd lezen we eerst nog hoe Pollmann opgroeide als gevoelige en intelligente jongeling die gedichten schrijft. Een groot deel van die gedichten is integraal weergegeven en hoewel het handschrift nu en dan moeilijk leesbaar is, wordt de richting waarin Pollmann zich ontwikkelt steeds duidelijker. Tegen het einde van de middelbare school schrijft hij ijzingwekkende verhalen over blonde helden met een germanenziel. Voeg daar nog het vroegtijdige lidmaatschap van de NSB en de katholieke versie daarvan, het `Zwart Front', aan toe en Pontiacs conclusie dat zijn vader zich aan de vooravond van de Duitse inval al had ontwikkeld tot een `volbloed fascist' lijkt terecht.

Pollmann kiest, tegen het verbod van zijn vader in, voor het uniform van de NSB en wordt het huis uit gezet. Pontiac probeert zich in de schoenen van zijn vader te verplaatsen en beschrijft hoe die glimmend van trots voor de spiegel stond met zijn `dynamische uiterlijk'. `Is het te vergelijken met het uniform van een nozem of een punk? Moet ik jou gewoon zien als een ``angry young man' van 19?' vraagt hij zich vertwijfeld af. Helaas, de nazi-nozem Pollmann stort zich met volle overgave in zijn glanzende carrière als oorlogscorrespondent van de bezetter.

Vanaf dat moment krijgt het verhaal vaart. Niet alleen de inhoud maar ook de vertelvorm verandert. Door de afwisseling tussen brief en proces-verbaal (dat na zijn hechtenis als landverrader werd opgemaakt) verandert de monoloog in een dialoog, die bovendien rijker geïllustreerd is. We lezen hoe Pollmann toespraken houdt in Wenen, het hoofdkwartier in Berlijn bezoekt, verslag doet van het grimmige Oostfront en het verlies bij Normandië. En daar eindigt deze episode. Pollmann deserteert en duikt onder in Nederland. Na zijn ontmaskering als landverrader volgen moeilijke jaren (kamp Duindorp), maar hij weet toch weer zijn plek in de maatschappij te vinden. Hij trouwt, krijgt vijf kinderen en werkt als journalist voor Libelle (als columnist onder de naam Ans Brinkers) en later voor Story. Na scheiding, alcoholisme en problemen op het werk eindigt Pollmanns leven dan uiteindelijk in Curaçao.

Is dit boek nu een correspondentie in monoloogvorm? Een biografie? Een montageroman of een stripboek? In ieder geval bevat deze `Vatersuche' veel handgeschreven tekst, is ze doorspekt met archiefmateriaal en rijkelijk geïllustreerd. De term `biografiek' die het omslag vermeldt, dekt grotendeels de lading. Niet alleen de vorm maakt dit boek uniek, ook de persoonlijke invalshoek van Pontiac die postuum probeert te communiceren met zijn vader is fascinerend.

In Nederland is de Vergangenheitsbewältigung veel minder rigoureus geweest dan bij onze oosterburen, immers, iedereen zat toen in het verzet. Het verhaal van een Nederlander die verstrikt raakt in fascistische ideologie en daar nauwelijks van los komt, is een interessante aanvulling op de bibliotheken die zijn volgeschreven over de Tweede Wereldoorlog. In Kraut windt Pontiac er geen doekjes om: zijn vader was een fascist en ook na de oorlog heeft hij dit waarschijnlijk nooit oprecht betreurd. Een voor hem pijnlijke conclusie, maar toch accepteert Pontiac zijn vader, hoe fout die ook geweest is, en wenst hij hem eenzelfde liefdevol sterfbed toe als zijn moeder, mocht Joop Pollmann niet zijn gestorven in die Daaibooibaai.

Peter Pontiac: Kraut.

Podium, 168 blz. ƒ49,90