Een kerstvertelling

`Grova is zo heel erg ziek'', zei moesje in de keuken tegen Trijnewijntje. Grote tranen sijpelden over haar wangen. Ze pakte een thermoskannetje, goot er hete melk in en deed er een paar flinke scheuten brandewijn bij.

,,Zou jij dat bij grova willen brengen, ik kan niet weg, ik moet op Thijs en Thor wachten. Maar wees voorzichtig. Ik las laatst in de krant dat er een wolf losloopt. Hij heeft al een paar schapen doodgebeten.''

,,Ik ben niet bang'', zei Trijnewijntje, ,,wolven vallen mensen niet aan.''

,,O nee? Ik las laatst anders op de kinderpagina... hier, neem ook nog wat gedroogde appeltjes mee.''

Trijnewijntje ging op weg. ,,Kloek, kloek'', zei het kannetje toen ze door het gat in de heg kroop. Manhaftig stapte ze het plekje dat niemand wist voorbij. Ze tuurde naar het klompje dat op het water dreef van de sloot tussen het bos en het wegje dat 's zomers altijd tussen het koren door slingerde naar het huisje waar Bob, Bep en Brammetje woonden. Ergens in de wijde wereld, wist ze, kuierde nu die eenzame wolf. ,,Als hij nu maar niet door de wilde jagers wordt afgeschoten'', dacht ze en ze keek naar een paaltje in de sloot waarop een bruine speelgoedbeer zat. ,,Ach, wat zielig, Bruun, de beer'', mijmerde ze, ,,als het gevroren heeft zal ik hem eraf halen.'' Toen dacht ze: ,,Gelukkig maar dat 't niet sneeuwt. Een huisje in de sneeuw is natuurlijk best mooi, maar dan zie je ook alle voetstapjes. Dus ook de prenten van de wolf. En dan is 't een koud kunstje voor de wilde jagers om hem op te sporen.''

Ze liep langs de kerk. Gerdientje kwam de consistorie uit, zag Trijnewijntje en rende op haar af. Ze riep: ,,Er zit zo'n griezelig beest in de kerk.''

,,Wat voor beest'', vroeg Trijnewijntje.

,,Een beest met twee schitteroogjes'', zei Gerdientje.

,,Kan Rooie Pier hem niet weghalen?''

,,Da's zo'n vreemde jongen'', zei Gerdientje, ,,dan vraag ik 't liever aan grote Bertus en kleine Bertus. Of aan Jaap Holm en z'n vrinden.''

,,Die knullen? Waarom niet aan Peerke en z'n kameraden?''

,,Ach, Peerke is zo vreselijk ziek, die ligt al jarenlang op sterven.''

,,Nou, ga dan naar Wout de scheepsjongen. Of naar Hans in 't bos.''

,,Dat duurt allemaal veel te lang. Het beest moet nu de kerk uit. Straks is er een rouwdienst. Wil jij me niet helpen? Jij bent nergens bang voor, jij hebt laatst Ouwe Bram nog uit het water gered.''

,,Ja, maar samen met Jantje van de Scholtenhoeve. Alleen zou ik dat nooit gekund hebben.''

,,Ach, kom nou even mee.''

Trijnewijntje liet zich overhalen. Samen met Gerdientje betrad ze de donkere kerk. In het voorportaal schoot iets langs hun voeten. ,,Help'', riep Gerdientje. ,,Niet schrikken'', zei Trijnewijntje, ,,dat is het zwarte poesje van de boze koster.'' Toch kromp ook zij ineen toen ze het duistere kerkschip binnen schuifelde.

,,Ik zie helemaal geen schitteroogjes'', zei ze.

,,Het beest zat daarnet in de preekstoel'', zei Gerdientje, ,,ik zag z'n ogen toen ik de kanselbijbel wou afstoffen.'' Ze slopen beiden naar de moderne preekstoel en keken over de rand.

,,Het is een hond'', zei Gerdientje.

,,Het is die wolf'', dacht Trijnewijntje, en ze zei: ,,Ach, kijk nou toch, een zielige hond. Misschien heeft hij dorst. Als ik nu eens wat melk uit m'n kannetje in het doopvont giet...''

Ze goot een deel van de inhoud van het kannetje in het lage, stenen doopvont. ,,Hij snuift'', zei Gerdientje.

Even later daalde het broodmagere beest de preekstoel af. Hij sleepte zich naar het doopvont, slobberde het leeg.

,,Ik gooi de rest er ook in, grova kan wel even wachten'', zei Trijnewijntje, en hij heeft vast ook honger, ik heb wel wat gedroogde appeltjes maar dat zal hij wel niet lusten, is er geen brood over van het Heilig Avondmaal van gisteren?''

,,Ja, nog een heleboel'', zei Gerdientje.

,,Nou haal dat dan, dit beest is totaal uitgehongerd.''

,,Maar... maar... zo'n griezelig beest...''

,,Ach wat, griezelige beesten bestaan niet, alleen mensen zijn griezelige beesten, die houden niet alleen soortgenoten, maar ook varkens in concentratiekampen, en slachten koeien bij duizenden af vanwege een of andere hersenschimmige ziekte waaraan in Nederland nog nooit iemand is overleden.''

Toen de wolf gespijsd en gelaafd was met de inhoud van het doopvont en de resten van het Heilig Avondmaal lieten Trijnewijntje en Gerdientje hem de wijde wereld weer ingaan, ook al bedroefde het hun dat hij misschien zelfs een kroonprins tegen het lijf kon lopen die samen met z'n vriendinnetje voor de lol dieren doodschoot.