Een bronstig beest

De carrière van de danser Vaslav Nijinsky duurde maar negen jaar en er is geen bewegend beeld van bewaard. Wat wel overbleef is nu in Parijs te zien.

Vlinderachtig vluchtig, efemeer is de danskunst. Beter bestand tegen de tand des tijds zijn foto's, tekeningen, schilderijen, beeldjes, decorontwerpen, affiches, programma's, notaties en recensies. Met dat `dode' materiaal kan heel goed een levendig beeld worden gecreëerd van een dansersleven, blijkt uit de tentoonstelling Nijinsky 1889-1950. Het Parijse Musée d'Orsay wijdt drie zalen aan de Russische danser en choreograaf Vaslav Nijinsky die van 1909 tot 1913 prominent lid was van Les Ballets Russes, de balletgroep die onder leiding van Serge Diaghilev het publiek verrukte, verbaasde en verbijsterde.

Het materiaal komt uit de archieven van het Bibliotheek Museum van de Parijse Opera (Palais Garnier) onder meer uit de albums van Boris Kochno, een van Diaghilevs erfgenamen, en uit die van zijn echtgenote Romola Nijinsky. Het Zweedse Dansmuseet, dat een bescheiden collectie Les Ballets Russes bezit, is mede initiatiefnemer. Een groot deel komt van de Duitse choreograaf John Neumeier (1945), Nijinsky-fan en verwoed verzamelaar.

Na de lieveling van de Parijse beaumonde te zijn geweest, werd Nijinsky troetelkind van de danshistorici. Zijn medisch psychiatrische rapport werd in 1980 openbaar en in 1995 verscheen voor het eerst ongecensureerd zijn dagboek, geschreven in een rauwe, ritmische, als dadaïstisch bestempelde stijl. En wederom was dat aanleiding tot enige beroering.

Nijinsky werd een icoon van het ballet van de twintigste eeuw, symbool van de geëmancipeerde danser wiens krachtige sprongen de weeë herinnering aan pastelkleurige Degas-danseresjes verjoegen. Meer nog dan om zijn fabuleuze techniek werd hij bewonderd om zijn expressiviteit.

Net als zijn tijdgenote Anna Pavlova was hij bij leven al een legende. Zijn carrière als danser en choreograaf duurde negen jaar. Vanaf 1918 manifesteerde zijn schizofrenie zich zo sterk dat hij niet meer kon functioneren: niet als man, niet als vader van twee kinderen, niet als kunstenaar.

Bemoeienis van de beroemdste psychologen aller tijden Freud, Jung en Adler kon niet voorkomen dat hij tot zijn zestigste leefde als een versteende man, tot hij in London tenslotte aan een nierkwaal stierf. 4 april 1950, een halve eeuw terug.

Op de spaarzame foto's die van de schuwe Nijinsky uit die laatste periode bestaan, herinnert niets aan de verleidelijke jongeman die zoet als het parfum van de liefde danste in Le Spectre de la Rose, als een wulpse Gouden Slaaf in Shéhérazade, en als de erotische Narcissus. Wie de foto's van die stukken ziet snapt waarom hij in zijn jeugd een geliefd object was voor de gretige blikken van vele fotografen en beeldend kunstenaars.

Zoals die van de Duitse beeldhouwer George Kolbe die een donker gepolijst bronzen beeld maakte, De danser of Nijinsky, waarin hij de danser naakt in een ideale vorm kneedde. Gustav Klimt portretteerde hem daarentegen met de ogen geloken, met sterk ingevallen wangen, waardoor de tekening een dodenmasker lijkt. Verfrissend is dan het schilderij van de Russische schilder en decorontwerper Léon Bakst, Nijinsky au Lido uit 1909. Aan dat beroemde badstrand te Venetië toont de in lendendoek gehulde jonge Adonis zijn gespierde balletbenen en ranke torso. Een blikvanger waar wel meer oudere heren vanuit de badstoelen naar gekeken zullen hebben. Elegant is Modigliani's portret, met ragfijne krijtlijnen getekend waarop de Slavische danser eerder een dromerige Perzische prins lijkt.

Dat zachtaardige is éen kant die Nijinsky in de eerste twee seizoenen van de groep liet zien, vooral in de oriëntaalse balletten van Michael Fokine. Diens exotisme leende zich goed voor tekeningen met Oostindische inkt in de stijl van Aubrey Beardsley. Broeierig van sfeer, maar helder van lijn, zoals de tien lithografieën van Roberto Montenegro die door graaf Cyril de Beaumon in 1913 werden opgenomen in zijn sprookjesachtige balletboek.

Poses

Deze kunstwerken zeggen meer over de stijl van de makers dan over hun object. Dichter op de huid van de danser kom je via het kritische oog van de camera. Nijinsky poseerde voor de fotografen Bert, Gerschel, Roosen en de mysterieuze baron A. De Meyer in hun studio's, in typerende houdingen uit zijn balletrollen. In actie zien we hem – bijna – nooit, altijd in poses die wel iets over zijn fysiek en innerlijk verraden maar niets over zijn veel geroemde danskunst. Mooi zijn de foto's zeker, zoals de reeks van de `Faun', op grof papier afgedrukt waardoor ze een tekenachtig effect krijgen. Of die van `Le Spectre', waarin Nijinsky als belichaming van de liefde een kostuum draagt met rozenblaadjes, een creatie van Bakst. Je gelooft zo het verhaal dat de kleedsters steeds weer de blaadjes erop moesten naaien omdat zijn bewonderaars die als souvenirs eraf trokken. Poezelig zacht is zijn halfronde geheven arm, onbehaard zijn oksel. In het zwaar geschminkte, meisjesachtige gezicht vallen de scherpe, hoge jukbenen op. Zijn mond is glimlachend half open waardoor je onverhoeds een blik wordt gegund op zijn gebit. Daarin ontbreekt een hoek- of snijtand. Is dat een gevolg van de armoede in zijn jeugd? Hij was een zoon uit een reizende dansfamilie waarvan de vader jong gestorven was. Daarom meldde zijn moeder hem en zijn zuster aan bij de Keizerlijke balletschool waar ze als leden van de hofhouding gratis (ballet)les kregen.

Ontroerend is eveneens een foto uit 1909: Nijinsky in L'Oiseau d'Or. Bijna onbeholpen poseert de amper twintigjarige, die door Diaghilev, zijn mentor en minnaar eigenhandig uit de studio's van St. Petersburg was geplukt en meegetroond was naar Parijs. Het kostuum van deze rol bleef uitzonderlijk genoeg bewaard: een met gouddraad bestikt en met toneeledelstenen versierd jak waar hij een nauwsluitend pak onder droeg dat met pailletten bestrooid was. Een engelachtige verschijning was hij, objet d'amour voor vrouwen èn mannen. Sensueel en een tikje wild, vooral in de oriëntaalse rollen. ,,Half kat, half slang, duivels lenig, vrouwelijk en toch volkomen angstaanjagend'', schreef iemand lekker huiverend op.

Modernist

Toch moet Nijinsky na twee jaar genoeg hebben gekregen van die typecasting van verleidelijke, exotische jongen. In zijn eigen werk maakte hij korte metten met dat fin-de-siècle imago en openbaarde zich verrassend als radicaal modernist. In l'Après midi d'un Faune was hij het bronstige beest dat de nimfen uit Mallarmé's gedroomde fantasie verschalkte. Mede door Baksts revolutionaire kostuum, met geverfde camouflagevlekken die pal op de huid leken te zitten, en door de hoekige parallelle bewegingen rekende Nijinsky af met de bedwelmende oosterse sensualiteit. Zijn Faun was onverbloemd in zijn seksualiteit, vooral aan het slot waarin hij suggereerde dat hij op de sjaal van de nimf lag te masturberen.

Moderner nog was Jeux, over een flirt tussen een man en twee vrouwen op het tennisveld, een mondain thema in een milieu dat van Freuds ideeën doordrongen was. En in Le Sacre du Printemps was het echt gedaan met de uitlopers van de 19de eeuw. Strawinsky's hoekige ritmen kondigden de heftigheid van de moderne tijd aan. Nijinsky zette er primitieve passen op, waarmee hij met reuzenstappen voorbijging aan de geldende balletesthetiek.

Iemand die de algehele bewondering voor Nijinsky deelde maar tegelijk relativeerde was Jean Cocteau. Met de humor die hem eigen was schetste hij zijn karikaturen: Nijinsky op het moment dat die bijkomt van de hoge sprong uit het venster in Le Spectre en in de coulissen wordt opgevangen, uitgeput achterover hangend met een glas water in de hand. Hij tekent hem weinig flatteus als aap, met een hoge stierennek, vlassig haar en overdreven Mongoolse trekken.

Een dergelijke prent stuurde hij in 1956 vanuit Zwitserland naar Françoise Reiss – die wetenschappelijk onderzoek deed naar Nijinsky's goddelijke inspiratie en mystiek – en schreef er sarcastisch op: ,,c'est dans cet hôtel (Suretta in St.Moritz /IL) que Nijinsky eut sa (..) crise.'' Daarmee verwees Cocteau naar een optreden ten bate van het Rode Kruis in januari 1919 waarin Nijinsky de waanzin van de Eerste Wereldoorlog wilde uitbeelden: zijn bewegingen moeten net zo razend zijn geweest als de hortende en stotende zinnen die hij in die zelfde tijd begon uit te braken in zijn dagboeken. Die heftige, onbegrepen performance was zijn laatste publieke optreden. Zes jaar eerder, in 1913 was hij door Diaghilev uit de groep verstoten, uit wraak voor zijn huwelijk met Romola de Pulszky, waardoor Diaghilev zich verraden voelde. Nog een keer had hij zich verzoend met de balletleider en creëerde in 1916 Till Eulenspiegel, een weinig fortuinlijk evenement.

De tentoonstelling brengt ook Nijinsky's tragische afloop in beeld, met de spaarzame foto's waarop hij naast zijn vrouw of zijn dochtertjes Kyra en Tamara te zien is. Ze tonen niet zijn agressieve buien, wel zijn gezwollen hoofd waarin de ogen steeds wantrouwiger kwamen te staan. In 1928 is hij voor even verenigd met Diaghilev en enkele voormalige collega's. Opzienbarender is de fotoreportage uit het tijdschrift Match van 1939 waarin danser Serge Lifar in een studio Nijinsky ertoe beweegt nog éen keer zijn kunstje te doen: te springen. Op het moment dat hij springt en een seconde tussen hemel en aarde hangt, is de foto genomen. Hartverscheurend triest omdat die puur uit sensatiezucht gemaakt is en daarbij niets van het mysterie van Nijinsky's dans onthult. Dat blijft een geheim. Hoewel in de goed gedocumenteerde, fraai uitgegeven catalogus een hoofdstuk besteed is aan Nijinsky's relatie met de film, blijft het bij analyseren van geruchten. In 1916 had Nijinsky op zijn Eulenspiegel tournee door de Verenigde Staten immers kennis gemaakt met Chaplin en diens studio bezocht. Het mysterie daaromtrent evenaart bijna dat rond de snuff movies. Toch bestaan er wel degelijk filmfragmenten waarop Nijinsky staat: nietszeggende beelden, opgenomen in het Wenen van 1945. In een loopt hij over straat, in een ander stapt hij uit hotel Sacher en steekt naast een Amerikaanse journalist de straat over. Een keurige heer van middelbare leeftijd.

Deze beelden zijn niet opgenomen in de documentaire Nijinsky Danser, die Hervé Nisic Revoir voor de tentoonstelling maakte. De documentaire, die op video gezet is, brengt de danser niet dichterbij. Veel meer dan opnames van het instuderen van de Faune door Léonide Massine bij het Parijse Opera Ballet, en een andere versie bij het Ballet de Lyon, zie je niet. Die laatste bevat enkele sappige details. Zo moeten de duimen van de bronstige Faun langzaam geheven worden, ten teken van zijn door lust gewekte erectie. Die informatie is zinniger dan de gortdroge pogingen van twee Parijse danswetenschappers die met behulp van computer-animatie de bestaande reconstructie nog eens dunnetjes overdoen.

Kennis van zaken, maar evenzeer fantasie heb je nodig om uit dat vergankelijke dansverleden de legende levend te houden. Wie dat goed doet is de eigentijdse Britse beeldhouwer Barry Flanagan. Bij de entree staat een bronzen beeld Nijinsky Hare uit 1985, dat Nijinsky als dansende haas voorstelt. Flanagan liet zich inspireren door een gipsmodel van Nijinsky, dat aan Rodin wordt toegeschreven. Hij bewondert namelijk zowel Rodin als Nijinsky. Met hazenoren en een been krom opgegooid lijkt de danser eerder een malle nar dan de goddelijke clown waarvoor hij gehouden wordt. Toch denk ik dat Nijinsky voor dit speelse eigenzinnige beeld meer waardering zou hebben gehad dan voor veel van de bronzen plaquettes waarop hij braaf vereeuwigd is.

Nijinsky 1889-1950. Musée d'Orsay, Parijs. Tot 18 februari. Inlichtingen: 00 33 1 40 49 48 84 of www.musee-orsay.fr

Catalogus: Nijinsky. Réunion des Musées Nationaux, Parijs 2000. Prijs: 250 F. ISBN: 2-7118-4078-6