De vijand bleef onzichtbaar

Een onzichtbare vijand is misschien nog dreigender dan een zichtbare vijand. Van dichter en vertaler J. Eijkelboom verscheen de compacte bundel Het krijgsbedrijf, waarin vier verhalen zijn opgenomen en een gedicht. Als ondertitel koos hij voor `Vijf benaderingen' en dat is een mooie, suggestieve benaming. Het duidt erop hoe de vijand benaderd wordt in het militaire veld; het drukt ook de methodes uit die Eijkelboom gebruikt om zijn onderwerp te behandelen. Telkens vanuit een andere optiek.

Eijkelbooms onderwerp vormen de politionele acties die het Nederlandse leger in 1947, twee jaar voor de soevereiniteitsoverdracht van 1949, in Nederlands-Indië voerde. Het is een onderwerp waarover niet alleen de schrijver lange jaren heeft gezwegen, maar waarover velen – militairen en de verantwoordelijke regeringsambtenaren – zich in stilte hulden. Jonge militairen moesten in opdracht van de Nederlandse staat de Indonesische bevolking behoeden voor het Indonesische republikeinse leger dat onafhankelijkheid bevocht. Dat leger zou `honger en terreur' zaaien.

Eijkelboom werd als 21-jarige naar Indonesië getransporteerd om tegen het TNI, het Indonesische leger, te vechten. Al in 1953, in het literaire tijdschrift Libertinage, publiceerde hij het verhaal `De terugtocht', nu als openingsverhaal in Het krijgsbedrijf opgenomen. Voor Eijkelboom waren de politionele acties een benauwende ervaring, hoewel hij al vanaf het troepentransportschip meteen `in de ban raakte van de tropen' door de geuren die van het eiland Sabang waaiden, waarop zojuist een regenbui was gevallen.

Mijnen

Voor Eijkelboom kwam de ellendigste tijd toen hij met een sectie carriers (een soort ijzeren bakken op rupsbanden) konvooien moest begeleiden. In `De terugtocht' staat, koeltjes, wars van pathetiek, hoe gevaarlijk deze tochten waren door de vele mijnen die zich in de weg bevonden: `Ook lagen er vaak vliegtuigbommen in begraven die de vijand door middel van een lang touw tot ontploffing bracht. Verder waren er in de bomen soms nog granaten opgehangen aan een touw dat over een katrol liep; men liet dit touw vieren als er een voertuig onder de boom door reed. De methodes waren primitief maar doeltreffend genoeg om van zo'n konvooirit een zenuwslopende ervaring te maken. De spanning was zo groot dat de meesten van ons in een vreemde onwerkelijke sfeer leefden als er niet gereden werd.'

De vijand krijgt de militair Eijkelboom niet te zien, zodat hij zich afvraagt wat ze daar toch doen, en waar dat oorlogje voeren in de archipel nu goed voor is. Ondertussen is hij verliefd geworden op het Indische meisje Soemiati dat hij leert kennen in een bordeel. Soemiati vertegenwoordigt voor hem gehechtheid, erotiek en genegenheid. Wanneer hij aan het eind van de acties terug moet naar Nederland, dan wordt zij gek van eenzaamheid. Zij moet worden opgenomen in een inrichting, waar hij haar een keer opzoekt. Daar neemt hij afscheid. `Ik groette haar en verdween haastig, zonder om te kijken,' luidt in alle onopgesmuktheid de geladen slotzin van het verhaal.

Die `vijf benaderingen' heeft Eijkelboom nodig om het complex van tegenstrijdige gevoelens als geluk, liefde, medelijden, schuld, spijt en verraad dat hij in Indonesië onderging te beschrijven. Hij moest van die traumatische `werkelijkheid' een `herinnering' maken. Dat zinnetje staat achteloos vermeld, je leest er zo overheen, maar het raakt de kern van dit literaire kleinood.

Voor Eijkelboom behield die werkelijkheid lange tijd zijn angstaanjagende dimensie. In het verhaal `Het nest' beschrijft hij hoe zijn alter ego Jacob hardnekkig met drank en andere vormen van vergetelheid die pijn probeert te sussen. Jacob dankt zijn leven aan een enkele luttele seconde: `Als de guerrillastrijders die de in de weg begraven zware trekbom tot ontploffing brachten ook maar één seconde later waren geweest, zou Jacobs carrier zijn opgeblazen op een manier die hij maar al te goed kende uit eigen waarnemingen en van horen zeggen. [...] De inzittenden van een andere carrier hadden er na en voltreffer bij gelegen als hun eigen body-bags.'

Ondanks de granaten, kogels en bommen die de verhalen bevolken, ondanks de zinloze beschieting van de onzichtbare vijand, is de toon van Eijkelbooms proza opmerkelijk verstild en van een onderhuids gehouden dramatiek. Het is het proza van de dichter Eijkelboom, zoals we die uit zijn zeven bundels kennen. Ook in Het krijgsbedrijf laat de dichter zich niet onbetuigd. Op het verhaal over de drankzuchtige Jacob volgt het gedicht `Voorval op Java' met als openingsstrofe:

Bij een waringin lagen wij te wachten,

ik weet niet meer waarop,

waarschijnlijk

op wat toen de vijand werd genoemd,

ik weet niet meer waarom.

Tragisch

Dat niet weten van het waarom maakt de figuren uit de verhalen tragisch. Ze doden of worden gedood, redeloos. `De opmars' eindigt met een soldaat die huilt om zijn vriend Koos, die wordt opgeblazen. Na alle verschrikkelijks duwt een militair zijn huilende collega tegen de borst: `Hier zat immers een man te huilen. En een andere man drukte hem tegen de borst. Dit was pas verontrustend. Zo lang is dat alweer geleden.'

In de context van dit soldatenverdriet komt het woord `verontrustend', hier voor het eerst gebruikt, hard aan. Niet de vuurgevechten waren verontrustend, evenmin het messcherpe ijzerdraad dat de Indonesiër op halshoogte over de weg spande, zodat menig soldaat werd onthoofd, maar het tonen van verdriet in een wereld van militairen. Daar gelden hoe dan ook harde regels. Als één van hen de moed niet langer op kan brengen met stijve kistjes en een loodzwaar uniform door de hitte te marcheren en zich in de berm laat vallen, omdat tussen het groen een verleidelijk beekje stroomt, brult een officier hem vragend toe of hij `a mouse or a man is', waarop de soldaat net zo hard brullend antwoordt: `I'm a mouse, sir!'

Eijkelboom maakte in 1979 zijn debuut als dichter met de bundel Wat blijft komt nooit terug. De paradox van deze titel heeft betrekking op de aldoor aanwezige, blijvende angst tijdens de militaire operaties in Indonesië. Iets wat blijvend is, en dus onuitwisbaar, kan niet terugkeren, want is er voortdurend. Het was een angst die zelfs na het vertrek aanhield, die `werkelijkheid' bleef en maar geen `herinnering' wilde worden. Daartoe moest eerst de dichter en nu dus de prozaschrijver Eijkelboom geboren worden.

Het afscheid van dat land, gesymboliseerd door het afscheid van minnares Soemiati, betekende leren leven met dit zwaarwegende verleden, waarover het hem zo hard viel te praten. Met deze bundel heeft Eijkelboom dat zwijgen op een soevereine, schitterende manier doorbroken. Het is niet moeilijk Het krijgsbedrijf met zijn `vijf benaderingen' ook te lezen als een literair bedrijf met vijf variaties, namelijk hoe te schrijven over iets waarover eigenlijk niet geschreven kan worden. Dat moet op de manier van Eijkelboom: helder, superieur, zonder vals gemoed. Elk woord, elke zin is maximaal geladen, en toch is de stijl een toonbeeld van transparantie.

J. Eijkelboom: Het krijgsbedrijf. Vijf benaderingen.

De Arbeiderspers, 110 blz. ƒ29,90