De jongen met de zwavelstokjes

Hans Christian Andersen was een zelfingenomen boerenkinkel die te korte gele broeken droeg. Maar juist door zijn maatschappelijke blindheid kon hij uitgroeien tot een groot sprookjesschrijver.

p 15 juli 1857 bracht de negentiende-eeuwse volksschrijver Charles Dickens een logé persoonlijk weg. Weliswaar niet helemaal van Rochester, zijn woonplaats in Kent, naar de veerboot in Folkestone, maar wel de pakweg dertig kilometer naar het station van Maidstone.

,,Mijn hart was zo vol'', schreef de logé later over zoveel vermeende hartelijkheid in zijn dagboek. ,,Ik wist gewoon niet wat ik moest zeggen en toen we afscheid namen was dat van mijn kant met weinig woorden. Mijn keel zat dicht van tranen.''

Dickens daarentegen omhelsde zijn logé ten afscheid, keerde terug naar huis en hing in de zojuist vrijgekomen logeerkamer een briefje op met de tekst: ,,Hans Andersen heeft vijf weken lang in deze kamer geslapen – volgens ons allemaal EINDELOOS!''

De kinderen Dickens hadden de toen al beroemde sprookjesschrijver uit Denemarken met zijn grote neus en zijn onverstaanbare Engels niet meer gevonden dan ,,een knokige zeurpiet – hij was gewoon niet weg te branden!'' Maar Hans Christian Andersen zelf was zich van deze uitwerking op het gezin van zijn gastheer volstrekt niet bewust geweest: hij was vrij onverwachts gearriveerd `voor een weekje of zo', was vervolgens vijf weken gebleven en had al die tijd nooit iets gemerkt van de spanningen tussen Charles Dickens (die de actrice Ellen Ternan als maîtresse had genomen) en diens echtgenote, Catherine. In plaats daarvan klaagde de Deense gast over een bed dat te koud was en over het feit dat er 's morgens niemand naar boven kwam om hem te scheren. Het is, zegt Jackie Wullschlager, de Engelse auteur van een nieuwe biografie over Denemarkens nationale held, typisch Hans Christian Andersen: alleen bezig met zichzelf en zijn eigen emoties.

Hans Christian Andersen, The Life of a Storyteller is zojuist verschenen in Londen en komt in het voorjaar uit in de Verenigde Staten. Jackie Wullschlager (38) is de literaire recensent van de Financial Times. Eerder was ze voor die krant Europees kunstredacteur, met als standplaats Brussel. In 1995 verscheen van haar hand Inventing Wonderland, een hier geprezen biografie van de eerste kinderverhalenschrijvers in Engeland, van Lewis Carroll (Alice in Wonderland) tot A.A. Milne (Winnie the Pooh). Daarna, zegt ze, ,,drong de biografie van Andersen zich als het ware op, want al die schrijvers hebben hun kunst ontleend aan Andersen. Hij was de eerste die vanuit de belevingswereld van kinderen ging schrijven en de eerste die de voorwerpen uit de kinderkamer (`De standvastige tinnen soldaat') een eigen leven inblies. Zijn verhalen hebben zo'n diepgang, dat ik gewoonweg niet begreep waarom het werk van zo'n groot schrijver in feite nooit de behandeling heeft gekregen die dat van Dickens en Balzac wel is toegevallen.''

Over de Deen Hans Christian Andersen (1805-1875) is veel geschreven, niet in de laatste plaats door de auteur zelf. Hij schreef zijn eerste memoires toen hij 27 jaar oud was en publiceerde vervolgens elke tien jaar een herziene en steeds fraaier opgetuigde autobiografie. Andersen maakte van zijn eigen leven daarin een soort van-bedelstaf-tot-rijkdom-sprookje, van het soort waarin hij zelf steeds meer ging geloven. ,,Je hoort hem tussen de regels over zichzelf door als het ware snakken naar adem wegens de hoge kringen waarin hij komt te verkeren'', schrijft Wullschlager in haar inleiding.

Ze citeert Andersen in 1844: ,,Vijfentwintig jaar geleden kwam ik met mijn buideltje in Kopenhagen aan, een arme jongen die niemand kende. En vandaag heb ik mijn kop chocolade tot mij genomen met de Koningin, terwijl ik tegenover haar en de Koning aan tafel zat.''

Wullschlager heeft ervoor gekozen eerdere – vooral Deense – biografen te negeren en haar eigen pad te zoeken. Zij is teruggegaan naar de primaire bronnen: Andersens brieven en dagboeken, maar ook de nagelaten archieven van diens tijdgenoten, in en buiten Denemarken. Zij zet Andersens stijgende roem af tegen het benauwde provinciale klimaat in het Denemarken van zijn tijd, waarin de elite – `niet meer dan 1000 man', schat Wullschlager – zich na de vernedering van de napoleontische oorlogen had afgekeerd van de politiek en zich stortte op cultuur en kunst. Andersen had in zoverre geluk dat het, net toen hij als boerenkinkel-met-pretenties uit Odense naar Kopenhagen kwam, modieus werd geacht om als beschermheer van een kunstenaar op te treden. Het Deense koningspaar liep bij deze trend voorop en uiteindelijk kreeg de sprookjesschrijver ook van hen stipendia in `rixtalers', die het hem mogelijk maakten af en toe de benauwenis van Denemarken te ontvluchten om zich elders – vooral in Duitsland – te laten fêteren.

De Engelse pers heeft Wullschlagers Andersen-boek inmiddels de hemel in geprezen.

,,Vooral'', zegt Wullschlager ironisch, ,,omdat ik mezelf Deens heb geleerd om rechtstreeks toegang tot het materiaal te hebben. Dat zijn Engelsen niet gewend, dat iemand de moeite neemt een andere taal te leren, laat staan één die niet direct bruikbaar is voor veel meer dingen.''

De tweede reden dat de Engelse Andersen-biografie hier zoveel aandacht heeft gekregen, moet liggen in Wullschlagers vaststelling dat Andersen homoseksueel was, al duurde het waarschijnlijk tot zijn 57ste jaar vóór zijn verlangens eindelijk eens fysiek werden beantwoord. Wullschlager zelf maakt van die sensuele hang van Andersen naar intieme vriendschap met verschillende mannen geen groot punt, al maakt ze in haar tekst volstrekt aannemelijk dát die bestond. Maar het `outen' van een beroemdheid is in Engeland nog altijd groot nieuws, vandaar de koppen. En in Denemarken zelf?

Jackie Wullschlager kan het antwoord haast niet over de lippen krijgen: ,,Niets!''

Hoezo, niets?

Wullschlager: ,,Ik heb de proeven laten vóór-lezen door een Deense letterkundig hoogleraar, een van de acht Deense experts die me zo verschrikkelijk aardig en bereidwillig hebben geholpen toen ik daar was. Deze hoogleraar schreef me vóór publicatie dat mijn boek zou gaan gelden als dé inleiding tot Andersens werk. Nu is het verschenen, ik heb al die Deense experts een exemplaar gestuurd – weken geleden – en ik hoor niets. Helemaal niets. De Deense pers? Ik ben geïnterviewd door correspondenten van allerlei nationaliteiten, maar van de Deense pers? Geen woord. Reden? Ik kan alleen maar aannemen dat ik hun nationale held heb beledigd. Zonder opzet, want ik heb bepaald geen hekel aan Andersen. Hoe onmogelijk in de omgang hij ook was, al zijn minder aantrekkelijke kanten komen uiteindelijk voort uit diepe eenzaamheid. Stel je voor: zo beroemd dat je bij je dood een enorme staatsbegrafenis krijgt, met duizenden mensen. En daarbij is niet één familielid.''

n haar biografie tekent Jackie Wullschlager Hans Christian Andersen als het permanente meisje met de zwavelstokjes: iemand die bij de rijken naar binnen kijkt, droomt dat zij deel uitmaakt van dat bevoorrechte bestaan aan de andere kant van de ruit, maar die buiten in de kou staat en alleen heerlijkheid verwerft wanneer ze doodvriest. Het meisje met de zwavelstokjes is al net zo'n buitenstaander als de kleine zeemeermin. En wat het lelijke kleine eendje betreft: Wullschlager citeert het zoontje van Elizabeth Barrett Browning, Pen. Die zei over Andersen: ,,Hij is niet erg knap. Hij lijkt eigenlijk een beetje op zijn eigen lelijke eendje. Maar zijn geest heeft zich ontpopt tot een zwaan!''

De levensgeschiedenis van Hans Christiaan heeft een hoog Kees de Jongen-gehalte. Hij droomt zich een prinsje – zoals veel kinderen doen – en ziet zichzelf van jongsaf aan als een beroemd zanger, danser, dichter – het doet er niet toe wat – die alleen wacht op het moment dat een beroemd iemand hem ontdekt. (In het Lelijke Eendje: ,,Het hindert niet als je geboren bent in een eendennest, zo lang je maar tevoorschijn komt uit het ei dat een zwaan heeft gelegd''.)

Andersen werd in 1805 geboren in een sloppenwijk in Odense, op het eiland Fünen, als enig kind van een geadoreerde – want jong gestorven – poëtisch geaarde vader: een schoenmaker. Zijn moeder was een ongeletterde wasvrouw, vroom en bijgelovig tegelijk, die uiteindelijk zou bezwijken aan een voorliefde voor schnapps. De kleine Hans Christiaan was een onaantrekkelijk, onhandig kind, de risee van de buurt .(,,Hij is te groot en te lelijk'', zegt de eend die het lelijke eendje bijt, ,,dus hij krijgt er van langs''). Hij gedroeg zich bovendien meisjesachtig: hij reeg kransjes, hij speelde met poppen en hij was dol op verkleden – een passie die voortduurde toen hij al lang volwassen was. Voor dit eenzame kind was de dood van zijn vader – ,,de ijskoningin heeft hem meegenomen!'' zei zijn moeder – een vernietigende klap. Moeder ging onophoudelijk uit werken. De kleine Andersen – elf jaar oud toen zijn vader stierf – begon met het cultiveren van contacten met de plaatselijke gegoede burgerij als middel tot ontsnapping aan zijn milieu. Hier presenteerde hij zich als dichter, dan wel toneelschrijver, die voorlas uit eigen werk.

Een van zijn vroegste pogingen tot toneelschrijven kwam tot stand met behulp van een internationaal woordenboek en leverde de volgende strofe op: `Gute Morgen, mon père! Har De godt sleeping?'

Het is een vroege vingerwijzing naar Andersens hopeloze geknoei met talen, later in zijn leven. Natuurlijk werd hij door degenen voor wie hij optrad achter zijn rug uitgelachen. Zoals hij om zijn pretenties op straat werd uitgescholden door leeftijdgenoten. Maar Andersen waande zich ,,de kleine nachtegaal van Fünen'' en bleef zich met zijn grote neus, zijn ooievaarsbenen en zijn gigantisch grote voeten vastberaden `artistiek' kleden. Zo hardnekkig hield hij vast aan de droom om kunstenaar te zijn, dat hij er uiteindelijk in slaagde iemand te vinden die bereid was hem geld te geven om af te reizen naar Kopenhagen, twee dagen en een gruwelijke zeereis ver. Want in Kopenhagen, met zijn Koninklijk Theater, wilde Hans Christiaan `aan het toneel.'

et `nieuwe romantische besef van een aangeboren musisch talent, dat verdiende aangekweekt te worden, was cruciaal voor de mate van ondersteuning die Andersen kreeg', schrijft Wullschlager. Na een aantal mislukte pogingen krijgt die wonderlijke provinciaal met zijn veel te korte, gele broek die ondersteuning ook wel, maar die financiële patronage gaat gepaard met een voelbare minachting voor Andersens gebrek aan beschaving en zijn overdreven `ik leef voor mijn kunst'-gedrag. Andersen wilde altijd al indruk maken. Maar hier in Kopenhagen wordt de kiem gelegd voor zijn wanhopige verlangen om als gelijke geaccepteerd te worden. Zelfs in de familie die hem uiteindelijk in het gezin opneemt, blijft de oudste zoon en het voorwerp van Andersens diepst gevoelde liefde, Edvard Collin, hem het recht ontzeggen ooit met hem op `Du'-termen te verkeren. Dit soort ervaringen zijn de reden dat Hans Christiaan, zelfs als hij allang beroemd is, nooit genoeg geprezen kan worden – of dwangmatig zichzelf omhoog steekt (`Schiller lijkt erg op mij!').

In die eerste tijd in Kopenhagen is het: ,,Mag ik de eer hebben mijn gevoelens voor het theater tot uitdrukking te brengen in een dichtwerk dat ik zelf heb geschreven?'' Of, tegen de Deense vertaler van Shakespeare: ,,U hebt Shakespeare vertaald. Ik bewonder hem zeer, maar ik heb ook een tragedie geschreven. Zal ik die aan u voorlezen?''

Andersen wilde zo desperaat indruk maken – en hij wist niet hoe, want wie zou hem hebben moeten leren hoe hij zich in dit gecultiveerde milieu van de Deense elite zou moeten gedragen? – dat al zijn energie opging aan zelfstudie, theatertraining en fysiek overleven, schrijft Wullschlager. ,,Voor sociale of emotionele volwassenwording was gewoon geen ruimte in hem over.''

Door pure volharding en achteraf ridicule zelfoverschatting slaagt Andersen er uiteindelijk in werk gepubliceerd te krijgen: een poëtische ode aan een dood kind, een enkel toneelstuk. Maar pas als hij begint verhalen op te schrijven die teruggrijpen op de volksverhalen die hij als jongetje thuis op Fünen hoorde, en daaraan zijn eigen inspiraties toevoegt, wordt zijn naam een begrip. Wullschlager maakt duidelijk dat Andersens grootheid uitsteekt boven die van de gebroeders Grimm, die in ongeveer dezelfde periode niet meer deden dan bestaande folkloristische vertellingen opschrijven.

Wullschlager: ,,Grimm's sprookjes zijn vaak fysiek gruwelijk. Dat soort gruwel kom je nergens tegen in Andersen. Die zocht het meer in emotioneel-sadistisch. En tegelijk was hij, anders dan de gebroeders Grimm, veel meer christelijk. Dat sloot perfect aan bij de negentiende-eeuwse smaak en in die zin was hij heel erg de juiste man op de juiste plaats.''

Op de flaptekst van haar boek vat ze het zo samen: ,,Andersens verhalen kwamen voort uit zijn eigen complexe persoonlijkheid: seksueel verward en gefrustreerd, ijdel en onzeker tegelijk, manipulatief en toch kwetsbaar – en bovenal dodelijk eenzaam.''

Ze zegt: ,,Hij vocht zijn hele leven alleen maar tegen zichzelf. Zijn gedrag, al dat aandacht opeisen, vraagt erom belachelijk gemaakt te worden. Maar ik vond het uiteindelijk helemaal niet moeilijk om hem te mogen.''

Jackie Wullschlager, Hans Christian Andersen, The Life of a Storyteller, Londen 2000. Uitgever: Allen Lane The Penguin Press. Prijs: £20

Sierletters van Rie Cramer uit: H.C.Andersen, Sprookjes en vertellingen.