De Grote Bange Wolf

Zijn ze gevaarlijk of juist zielig? Een kerstvertelling over wolven.

WEET JIJ HOEVEEL wolven er vroeger in Europa woonden? Nee, dat weet niemand. Er waren nog geen mensen om ze te tellen. Die kwamen er pas later. Er waren hier een heleboel wolven, en ze hadden alle ruimte van de wereld. Nou ja, van Europa. Toen de eerste mensen hier kwamen, ging het lang goed. Er was veel ruimte voor wolven èn mensen. Wel kwam er onrust onder de wolven. Met twee partijen. Eén groep had al besloten zich bij mensen aan te sluiten. Zij vonden zich maar wat slim, zo te profiteren van mensenuitvindingen. Zoals kampvuren, of geroosterd vlees. Vooral in december. Zij noemden zich De Honden. Vanuit de bosrand keken hun oude familieleden verwonderd, maar ook wat afkeurend toe. ,,Slappelingen,'' vonden ze, ,,Maar wij – wij zijn De Wolven, de heersers van de Wildernis.'' Snel draaiden ze zich om, hun ogen van het vuur losrukkend, de geur van geroosterd vlees en warme hutten van zich af snuivend. Ze gingen wel ergens rauw hert eten. Of een bevroren konijn uit de sneeuw opgraven. Zo was het altijd gegaan, en zo zou het wel blijven gaan.

Mis. Het bleef niet zo gaan. Er kwamen langzaam steeds meer mensen. Er gingen steeds meer stukken van de wildernis af. De Wolven konden steeds minder kanten op. En de mensen mochten wel op wolven jagen, maar de wolven niet op mensen. Want dan namen die wraak. Samen met De Honden. Die overlopers waren vijanden geworden, nu ze zich eenmaal goed hadden ingelikt. Mensen waren gek op ze. Maar wolven, net zo speels, net zo gevoelig, en nog een stuk slimmer – nee, daar moesten ze niets van hebben. Wolven waren monsters. Wie waren ze wel, te denken dat ze zomaar op mensenland mochten jagen? Of een schaap eten, als er geen wildernis met herten meer was? In plaats van fatsoenlijk te verhongeren? Schande!

Mensen trokken bij de verbeten strijd tegen de wolven alles uit de kast, en het leek soms wel of ze het leukste vonden als een wolf lángzaam doodging. Met een poot in een klem. Met een kop vol hagel of schroot.

De wolven zelfs waren zelf ook weer slim. Soms gingen ze nog wel de fout in: als ze met teveel waren, in een te klein gebied. Dan vielen ze wel eens mensen aan, en werden meteen uitgeroeid.

Mensen waren toe aan de slimste uitvinding van allemaal: goed gif. Daarmee konden ze haast alle overgebleven wolven in één klap doodmaken. Hele landen zijn toen meteen maar wolfvrij gemaakt.

Maar her en der bleven er plukjes wolven over. Toch nog. Ze durfden nog nauwelijks te huilen. Maar in dit kerstverhaal komt het toch nog goed. Sommige mensen vonden dat er stukjes natuur moesten blijven, zodat je er kon kijken hoe het hier vroeger was. In die beschermde stukjes mochten soms wolven wonen. En als dat niet mocht, deden ze dat stiekem toch. Zo herstelden de wolven zich. Er kwamen er weer iets meer. Net op tijd.

En nu gaat het soms zo goed, dat ze weer wat terrein winnen. Ze proberen weer naar ander leefgebied te lopen. Ze hebben geleerd, hoe ze ongeveer een snelweg over moeten steken. Ze hebben ontdekt dat als je tegenwoordig rustig grote afstanden af wilt leggen, je het beste over spoorrails kunt lopen.

Wolven maken er weer het beste van. Ze zeuren niet over verloren terrein, over al hun gedode soortgenoten. Zeuren er niet over dat mensen het er allemaal niet mooier op gemaakt hebben. En af en toe werpen ze uit de verte nog wel eens vanuit een bosrand een blik op De Hond.

Het is ze gelukt. Ze leven nog. Ze zijn voorzichtig en bescheiden. Maar wel heersers van de wildernis.

Zo zijn er wolven helemaal uit Italië en Spanje naar Frankrijk gelopen. En ook daar brengen ze weer jongen groot. En is er nu een wolf van Frankrijk naar Nederland gelopen? Misschien is de Grote Schapenjager die af en toe Zeeuws- Vlaanderen aandoet, een echte wilde wolf. Misschien een ontsnapte tamme wolf. Hoe dan ook, hier eindigt de kerstvertelling. Want die hoort eerst te gaan gaat over ruzie en rampspoed, en dan natuurlijk over vrede en harmonie. Maar zijn de meeste mensen blij, dat die wolven het net gered hebben? Welnee. Ze vinden alle wolven levensgevaarlijk. Alleen omdat misschien één op de honderden wolven nog wel eens van een levend mens zou willen proeven, als hij daarvoor al niet veel te voorzichtig was. Een heel enkele keer valt een wolf nog een mens aan. Maar de gemiddelde wolf is minder gevaarlijk dan een kassajuffrouw met een slechte bui. Die kan zo maar een diepvries pizza op je hoofd stuk slaan, maar een wolf laat zich niet eens zien.

Omdat de mensen in Nederland de wildernis missen, zullen de wolven terugkomen. Op de Veluwe. Maar dat duurt nog wel twintig jaar, en de wolven zullen van alle kanten bewaakt worden. Zodat ze jouw kinderen maar niet op zullen eten. Die kans is dan, net als nu in heel Europa, misschien wel kleiner dan die dat een vliegtuig z'n ruitenwisser op je huis laat vallen, er daardoor een dakpan afvliegt die precies door je autoruit gaat, op de handrem slaat zodat die auto zachtjes begint te rijden en precies over Harry Potter deel 28 rijdt dat je net in de tuin had neergelegd om te oefenen op het voorlezen van je kinderen – over de slotbladzijde, die onleesbaar wordt. Zo ongeveer. Dus maak je maar vast zorgen.

(Eigen nieuws van Frans van der Helm, bijna 39)