Clinton laat geen makkelijke erfenis na

De strijd is gestreden en gewonnen. George W. Bush maakt zich op voor het presidentschap. Zijn eerste benoemingen van naaste medewerkers hebben over het algemeen een goede indruk gemaakt. Drie van hen komen rechtstreeks uit het team van Bush sr., president van 1988-1992. Na vice-president elect Cheney, destijds minister van Defensie, treedt als minister van Buitenlandse Zaken aan de toenmalige voorzitter van de Verenigde Chefs van Staven, Colin Powell. Condoleezza Rice, Rusland-deskundige en als lid van de nationale veiligheidsraad nauw betrokken bij de Duitse hereniging, wordt de presidentiële adviseur voor nationale veiligheid, de functie die ooit dankzij Henry Kissinger aan allure won, maar die sindsdien weer in de schaduw van sterke ministers van Buitenlandse Zaken, te beginnen met Kissinger zelf, is komen te staan. Met Powell op het State Department zal ook Rice wel enigszins op de achtergrond blijven.

Cheney en Powell tekenden in 1991 voor de succesvolle oorlog tegen Irak. Cheney was naast minister Baker een beslissende presidentiële partner bij het smeden van de Arabische alliantie tegen Saddam Hussein. De militaire operatie tegen Irak was een oefening in de Powell-doctrine waarover wel spottend is opgemerkt dat de generaal alleen die oorlogen voert die al gewonnen zijn. (Overigens krijgskundig minder onzinnig dan de spotter wellicht bedoelde: de manoeuvres die aan de eigenlijke slag voorafgaan, kunnen wel degelijk beslissend zijn.)

Rice vestigde haar naam binnen de Bush-strategie die leidde tot de Duitse hereniging binnen de NAVO, overigens zonder de Sovjet-Unie van Gorbatsjov van het Westen te vervreemden. In Germany United and Europe Transformed (Harvard University Press) deed zij daar samen met collega Philip Zelikow verslag van.

Juist Rice heeft onlangs enige ongerustheid veroorzaakt bij de Europese bondgenoten met haar uitspraken over een aanstaand vertrek van Amerikaanse troepen uit de Balkan. In Bosnië en Kosovo zijn deze eenheden een militair en politiek gewichtig bestanddeel van de daar gelegerde vredesmachten. Predrag Simic, verbonden aan het Instituut voor Buitenlandse Politiek te Belgrado, zei tegen de New York Times: ,,Amerikaanse troepen moeten vertrekken, maar alleen wanneer er op de Balkan nieuwe instellingen zijn verrezen, en dat zal nog wel een aantal jaren duren. Veiligheid hangt af van de Amerikaanse aanwezigheid in de regio.''

Het was misschien met het oog op dit soort gevoelens dat Powell bij zijn presentatie sussende woorden sprak. De Amerikaanse strijdkrachten zijn door de verschillende missies te veel verspreid, zo onderstreepte de nieuwe bewindsman, maar over de troepen op de Balkan zal geen beslissing worden genomen zonder zorgvuldig beraad en overleg met de bondgenoten. Dat is precies wat die bondgenoten wilden horen, want ook al zijn zij druk doende een zogenoemd autonome Europese interventiemacht op de been te brengen, de Balkan is een gebied waar de Europeanen toch niet graag alleen achterblijven. Het is zoals de Serviër Simic impliciet aangaf: de Amerikanen maken voldoende indruk om de vechtlustigen in toom te houden, van de Europeanen kun je dat niet zeggen.

Dat mag op de Balkan (nog) het geval zijn, voor althans Irak geldt het niet. Het Bush-team heeft nog iets te regelen met Saddam Hussein. Bush sr. versloeg Irak, maar zijn verwachting dat het regime in Bagdad na de nederlaag geen lang leven beschoren zou zijn, kwam niet uit. Saddam beroemt zich er op inmiddels al twee presidenten politiek te hebben overleefd. Onder druk van Rusland, Frankrijk en een openbare mening die het VN-sanctieregime verantwoordelijk acht voor de kindersterfte in Irak, is dat regime steeds verder uitgehold. Bovendien is met het wegsturen van de VN-inspecteurs door Saddam een nauwelijks meer te vullen hiaat ontstaan in de kennis omtrent de ontwikkeling van massavernietigingswapens in Irak.

Colin Powell heeft aangekondigd dat de sancties onverminderd gehandhaafd blijven zolang het regime in Bagdad geen opening van zaken geeft. Dat klinkt krachtdadig, maar het gaat voobij aan de feitelijke toestand. Het gaat al niet meer om handhaving, maar om het herstel van de sancties zoals de Veiligheidsraad die jaren geleden Irak heeft opgelegd. En voor zo een herstel ontbreekt de internationale consensus, een probleem dat de nieuwe Amerikaanse regering niet met één verklaring uit de weg ruimt. De reactie van de Iraakse generaal Shaheen Yassin loog er niet om: ,,Deze mislukte Powell bedreigt Irak, en wij zeggen hem: noch u, noch uw verklaring en uw nieuwe functie betekenen iets voor ons.''

Ook in het Verre Oosten bevindt zich een mogendheid die zich niet zonder meer bij de Amerikaanse suprematie in de wereld wenst neer te leggen. Clinton beschouwde China als een land dat bij de wereldmarkt en de internationale samenwerking betrokken diende te worden om te verhinderen dat het zich in isolement zou ontwikkelen tot een gevaarlijke tegenspeler. George W. Bush gaat er vanuit dat China op zijn minst een dubieuze gesprekspartner is. In dat opzicht stond Clinton dichter bij Bush sr. dan de nieuwe president. Bush sr. had na de opening van 1972 ervaring opgedaan als Amerika's hoge vertegenwoordiger in Peking. Na het bloedbad op het Plein van de Hemelse Vrede in de Chinese hoofdstad in de zomer van 1989 zond hij als president een geheime missie naar China om tegenwicht te bieden tegen de golf van verontwaardiging die over het vrije Westen sloeg. Misschien moet junior over het Rijk van het Midden senior nog eens raadplegen.

J.H. Sampiemon is commentator voor NRC Handelsblad.