Boksverbod

In Groot-Brittannië is een oude discussie opgelaaid over het verbieden van bokswedstrijden nadat vorig weekend de Brit Paul Ingle in kritieke toestand werd opgenomen in het ziekenhuis met een bloedstolsel in zijn hersenen. Vivienne Nathanson van de British Medical Association pleitte meteen daarop voor het verbod, om meer van dit incidenten te voorkomen. In sommige Nederlandse steden, zoals Amsterdam, heeft tijdens het Interbellum zo'n verbod het boksen nagenoeg onmogelijk gemaakt. Van 1922 tot de Tweede Wereldoorlog was in de hoofdstad maar op een heel klein aantal en besloten locaties het organiseren van bokswedstrijden toegestaan.

Burgemeester De Vlugt van Amsterdam was verklaard tegenstander: als iemand in zijn stad bloed wilde zien, moest hij maar naar het abattoir. Alleen in 1928, toen de Olympische Spelen daar werden gehouden, was een tijdelijke uitzondering van kracht, omdat deze sport nu eenmaal op de agenda stond.

Het was duidelijk: boksen had een slechte naam, net zoals nu nog mensen de associatie leggen met onbetrouwbare mensen die olievaten vullen met cement en lichaamsdelen, om die op een bewolkte nacht in een diep en donker meer te gooien. Tijdens het olympisch bokstoernooi van 1928 was de verbazing ook oprecht toen Bep van Klaveren vegetariër bleek, want je zou toch eerder verwachten dat zo iemand mensenvlees eet en insektensap drinkt? Maar waar dat idee vandaan komt? Welk belang heeft de bokssport tenslotte bij een permanente massaslachting? Integendeel, iemand als Van Klaveren en ook de Amsterdamse/Utrechtse bokser Ben Bril stonden voordat ze zich op hun sport stortten bekend als de grootste straatvechters, de schrik van hun buurt. Door hun sport konden ze hun agressie beter kanaliseren om uiteindelijk gerespecteerde namen te worden.

Die gedachten over de bokssport vinden waarschijnlijk hun oorsprong in de angst van de burgerlijke klassen voor het volk, waar het boksen een populaire sport was. André Swijtink constateerde in 1992 in zijn sporthistorische proefschrift In de pas dat in de jaren dertig de vooraanstaande positie van de maatschappelijk elite was doorbroken onder de sportbeoefenaars, maar niet onder de sportbestuurders. `Vooralsnog bleef het een gegeven dat het beleid van de meeste bonden bepaald werd door mensen die door geboorte en of maatschappelijke status tot de gegoeden uit de samenleving gerekend werden', concludeerde Swijtink. En die stonden heel erg ver af van het normen- en waardenstelsel van de liefhebbers van het boksen.

Daaruit kunnen we begrijpen waarom in veel Nederlandse steden het boksen het tijdens het Interbellum zo moeilijk heeft gehad. De hoogste verantwoordelijken binnen het bestuur kenden de sportbestuurders goed en deelden de afkeer van en de vooroordelen over het boksen, de sport van het volk. De democratisering van de sport vlak voor de oorlog blijkt dus maar relatief te zijn.

    • Jurryt van de Vooren