Boeken

Ontspannen in een boekhandel rondlopen is iets heel anders dan naakt in een boekhandel liggen. Kopers van boeken moeten daarom nooit verward worden met schrijvers van boeken. De laatsten liggen ruggelings op tafels te wachten tot ze besprongen worden door de eersten. En bespringen is meestal prettiger dan besprongen en besnuffeld worden.

Heb daarom medelijden met de schrijver die kort na het verschijnen van zijn boek gaat kijken hoe het erbij ligt. Ik bedoel natuurlijk niet het handjevol bestsellerauteurs wier boeken in gevaarlijk overhellende torens van Pisa bij de ingang staan opgesteld. Het gaat mij om al die andere schrijvers die blind van jaloezie om die torens heenlopen op zoek naar hun eigen boek. Zij hebben geen gemakkelijk bestaan.

Ik begreep iets van hun problemen toen ik onlangs een pasverschenen boek van eigen hand probeerde te vinden. Ik was toch in die boekenzaak – volkomen toevallig uiteraard – dus waarom zou ik niet even kijken? Misschien stond Harry Mulisch er net geestdriftig in te bladeren.

Tegen beter weten in had ik stiekem gehoopt op een extra feestelijke sfeer in de winkel, maar dat viel tegen. De portier die me nog wel eens wil groeten, sloeg ditmaal zijn ogen meteen neer. Hij had er kennelijk weinig vertrouwen in dat zijn salaris dankzij mij een belangrijke impuls zou krijgen.

Ik sloop met afgewend hoofd naar de overvloedig beladen tafels. Zodra een verkoper naderde, pakte ik neuriënd een boek van een beroemde concurrent – hoezeer ik hem ook vanaf vandaag zou haten. Vanuit mijn ooghoeken inspecteerde ik de andere tafels, wanhopig verlangend naar dat leuke kaftje van dat leuke boekje van die mij zo bekende leuke schrijver.

Niets.

Moest ik ernaar vragen? De verkoper zou me misschien bevreemd aankijken en zeggen: ,,Kunt u die naam even spellen?'' Ik wist voorbeelden van bekende schrijvers die familieleden naar hun boeken laten vragen, maar ik verwierp deze mogelijkheid onmiddellijk: dat was nóg vernederender, en je kunt er tot aan je dood mee gechanteerd worden.

Opeens zag ik ze staan. Een stapeltje op de grond. Ze moesten 's morgens zijn binnengekomen, de verkopers hadden er kennelijk nog geen plaats voor gevonden. Of zouden ze die boeken daar gewoon liefdeloos laten staan? Toen ik goed keek, zag ik meer van dergelijke stapels staan. Het waren een soort ontheemden, zwervers in de kou, maar dan zonder de liefde van het Leger des Heils.

,,Wat moeten we ermee?'' hoorde ik een stem zeggen. Het was een jonge, mannelijke verkoper die zich moedeloos tot een oudere collega wendde.

Deze haalde zijn schouders op. ,,Die uitgevers poepen maar raak en wij kunnen het opruimen'', zei hij.

,,Ik heb die Rascha Pepers maar even in de la gelegd'', zei de jonge verkoper.

,,Prima'', zei de oudere collega ferm.

Ik vluchtte zo snel mogelijk weg, hoewel het misschien helemaal niet zo onprettig is om even met Rascha Peper in een la te mogen liggen.