Blunders van God

Het lichaam is een zak met stront en de poëzie moet daar iets aan doen. Met die constatering is een aanzienlijk deel van de gedichten van Luuk Gruwez gekarakteriseerd. Aftakeling en lichamelijk ongemak, ziekte, incontinentie en andere handicaps, ze zijn ruim vertegenwoordigd; zo was er corpulentie in Dikke mensen (1993), en een aan kanker stervende vriendin in Vuile manieren (1994). Ook in de jongste bundel, Dieven en geliefden, stinken dichters (uitgerekend zij dus, die er iets aan moeten doen) direct al `naar rolmops en vies ondergoed/ en zure melk'. Een wielrenner kijkt bij `grieten' liever `omhoge tot in hun kruis' dan naar `de billen van mijn maten' en elders worden we geconfronteerd met `zure zoenen voor het ochtendgloren'.

Uiteindelijk echter gaat het deze `dichter van het bedreigde lichaam', zoals een criticus Gruwez eens in De Standaard noemde, eerder om verliezen en doodgaan dan om de daarmee gepaard gaande fysieke ontluistering. Soms krijgt zulk verlies ook aanzienlijk subtieler gestalte, bijvoorbeeld in het drie bladzijden lange gedicht `Oma Winnetou' dat aldus eindigt:

Er is een oma in een dorp gestorven.

Zij was dement en niet meer van zichzelf.

Zij was van heel de wereld,

maar het meest van mij.

Dat lijkt wat simpel en sentimenteel, zo gauw je evenwel de dubbelzinnigheid van het woordje `van' tot je door laat dringen zie je hoe goed die regels zijn. De oma was van heel de wereld, dat wil zeggen helemaal van de wereld, door haar dementie, en niet alleen het soort grote allemansvriendin dat bij eerste lezing gesuggereerd wordt, een lezing waarin zij `van iedereen' is. Dan krijgt ook de slotregel plots effect: zij was niet het meest `van mij', het meest mijn oma – zij is `van mij' het meeste weg, de ik mist haar het meest van iedereen.

Het merendeel van de poëzie, 72 procent om precies te zijn, gaat over liefde en dood. Zo ook bij Gruwez in Dieven en geliefden, en vaak nogal expliciet zoals uit de titel van de bundel mag blijken. De dood komt als een dief in de nacht, maar is bij deze dichter eveneens op klaarlichte dag present. De dichter bleef niettemin lang in leven doordat hij

steeds beleefd bleef voor de dood,

voor hem boog en hem fêteerde

als een hoogverheven heer.

Dat `beleefd' zijn is kennelijk een vitale strategie: beleefdheid bevat leven waar de dood niet tegenop kan.

Komt de dood 's nachts op bezoek, als in `Advies aan een dief', dan wordt hij naar een kamer geleid, die van de moeder van de dichter is. Zij is weliswaar gestorven, maar ook de weg vergeten `naar haar graf./ Ik krijg haar sinds die tijd het huis niet uit.' Dit is een dief die zijn werk niet goed doet, zoveel is duidelijk. De dichter gaat vervolgens met de dood langs een gesloten kamer, waarin hij zijn vriendin gevangen houdt `in touwen, ketting om de voet.' Wij weten, het zal niet baten.

De taal van Gruwez is wat vlak en redeneerderig, vooral in het middendeel met lange gedichten (Hoe komt het toch dat er steeds meer lange gedichten verschijnen? Heeft het Fonds voor de Letteren er een premie op gezet?) Door de herhaling van regels en woorden en onnadrukkelijk rijm begint er niettemin soms iets te zingen. En dat geredeneer leidt bovendien tot bijzondere dingen, bijvoorbeeld in het gedicht `Mijn hond', over de hond die de dichter niet heeft, maar wel vergeten is eten te geven, `vanochtend, om kwart over acht.' Omdat hij geen hond heeft, noemt hij hem Pappie.

Zulke grappen mogen flauw lijken, het gedicht intrigeert door kleine verschuivingen. De dichter gaat met hem uit, `in de regel aan een leiband'. Talloze interpretaties dringen zich op: de dichter gaat aan de leiband in deze regels, geleid door een vader die een hond is die niet bestaat. De dichter blijkt verder te lijken op zijn hond, men zegt zelfs dat hij `sprekend' op zijn hond lijkt. Hij lijkt dus op zijn hond (en vader?) als hij praat, of dicht. Dichten wordt blaffen – en misschien ook spreken door de mond van wie je heeft verwekt. Zo wordt een ogenschijnlijk flauwe grap een fascinerend gedicht over van alles dat er niet is en daardoor juist wel.

Als dichters al `Kletsers, kwebbels, blunders van God' zijn, zoals het openingsvers van Dieven en geliefden een tikje koket betoogt, dan weet Gruwez dat gekwebbel af en toe behoorlijk op niveau te brengen. Op zulke momenten is zijn poëzie een stuk sterker dan wanneer hij zich in de aloude platoons-christelijke traditie toelegt op de rol van chroniqueur van lichamelijke aftakeling.

Luuk Gruwez: Dieven en geliefden. Gedichten.

De Arbeiderspers, 75 blz. ƒ29,95