Bezinning na de spotlights

De sportman, de komiek, het fotomodel, het boegbeeld van liefdadigheid, de acteur, de televisiepresentator, kortom de Bekende Nederlander heeft een nevenfunctie: boekjesschrijver. Wat verbindt deze kassuccessen?

Er zijn boeken die nooit rechtop in de winkel staan. Ze liggen naast de kassa in hoge stapels, doorgaans met een portret van de auteur op het omslag. Na de cadeaumaanden november en december verdwijnen ze weer. Deze kassaboeken danken hun naam niet alleen aan hun plaats in de winkel, maar ook aan de cruciale plaats die ze hebben in de kasboeken van de uitgeverijen. Het zijn de boeken waarvan de oplagen in de tien- en honderdduizenden lopen, goudmijnen voor uitgeverijen.

De boekjes zelf lijken op elkaar: ze meten 12,5 bij 20 centimeter, hebben tussen de honderd en honderdvijftig bladzijden, kosten tussen de vijftien en vijfentwintig gulden en ze zijn niet geschreven door de eersten de besten.

De auteurs maken geen boeken omdat ze daarmee bekend willen worden, maar juist omdat ze het al zijn. Majoor Bosshardt, Johan Cruijff, Daphne Deckers, Herman Finkers, Raoul Heertje, Youp van 't Hek, Mart Smeets en Maarten Spanjer zijn professioneel sportman, komiek, fotomodel, liefdadigheidsboegbeeld, acteur, televisiepresentator of een combinatie van die functies, meestal gevangen onder de noemer Bekende Nederlander. Groot geworden in een ander beroep, zijn zij (bij Bosshardt en Cruijff wordt het eigenlijke typwerk door anderen gedaan) achter de tekstverwerker gekropen om een boek te schrijven. Ieder jaar een boek. Of twee.

Waarom schrijven de kassaschrijvers? Voor het geld hoeven zij het niet te doen – Deckers schenkt zelfs een deel van de opbrengst aan het Nationaal Fonds Kinderhulp – en ook hun ijdelheid wordt tijdens het uitoefenen van hun dagelijkse bezigheden voldoende gestreeld. Helaas is ook literair talent niet de drijvende kracht achter deze schrijverij: het lezen van negen kassaboekjes lijkt nog het meest op het achter elkaar opeten van negen kilo drop. Het begint aangenaam, maar wordt allengs minder plezierig. De auteurs zijn, om het vriendelijk te zeggen, echte liefhebbers in het schrijversvak. Bij de kassaschrijvers is het voor alle partijen een zegen dat na 150 bladzijden de achterflap in zicht komt.

Maar daarom niet getreurd. Als het niet om geld, ijdelheid of talent gaat, dan moet het de auteurs wel te doen zijn om de inhoud van Johan Cruijff is ongeneeslijk beter, Met hart en ziel, Vissen is ook een sport, De geboorte van een moeder, Een vruchtbaar gesprek, Het zal me jeuken, Oranje boven!, Kalm aan en rap een beetje en Prikkels.

Achter de covers valt vooral het ontbreken van één element in de boeken op en dat is curieus genoeg precies datgene waarvan we de auteurs kennen: het leven in de spotlights. Hier verschijnen niet de geschminkte glimlach, de glitter en glamour die we zo vaak zien. De auteurs schrijven met een missie en die missie is stichtelijk van aard: ze willen duidelijk maken waar het in dit leven werkelijk om te doen is. In die hang naar bespiegeling zit een paradox, die doet denken aan Joop van den Ende. Die laakte vorig jaar de `verpaupering' van de Nederlandse televisie, waarna verwonderde critici opmerkten dat dezelfde Van den Ende zelf de hoofdverantwoordelijke voor deze ontwikkeling is geweest. Al kun je even eenvoudig beweren dat het belangrijker is als Joop van den Ende de tv-grofheid en -oppervlakkigheid aanpakt, dan wanneer het personeel van de VPRO weer eens collectief met zijn chique noodklok bengelt.

De schrijvers van de kassaboeken kan moeilijk de `verpaupering' van de televisie in de schoenen worden geschoven – ze behoren allen tot de upperclass van Bekend Nederland, nauwelijks tot het spelletjescircuit – maar desondanks nemen ze afstand van hun sterrenstatus. Van effectbejag, dat naar de aard van dat medium in hun televisie- en podiumbestaan een hoofdrol speelt, is in de boeken nauwelijks sprake: als de studiolichten doven en de computer aangaat, willen de afgeschminkte sterren vooral `iets belangrijks' zeggen.

`Iets belangrijks' blijkt geen vrolijke boel. Majoor Bosshardt heeft weliswaar God aan haar zijde, maar dat kostte haar haar seksleven. Johan Cruijff ziet het voetbal zonder hem in de soep lopen (`We slachten onze gouden kip'). Daphne Deckers beschrijft gedetailleerd de ontelbare pijnen tijdens en na haar zwangerschap. Herman Finkers blijkt overwerkt. Raoul Heertje schrijft zijn ongeboren kind brieven over zijn eigen overleden broer. Youp van 't Hek fulmineert in ieder stuk wel tegen iets of iemand, volgens een eigentijdse variant van Louis Paul Boons `Schop de mensen, tot zij een geweten krijgen'. Mart Smeets ergert zich groen en geel aan zakenlui in het oranje. Maarten Spanjer mijmert in zijn voetbalverhalen uitsluitend over vergane glorie.

Deze auteurs zijn zich ervan bewust dat hun werk in eerste instantie voor de donkere decembermarkt bestemd is en bedienen de lezer met introspectie en gematigde cultuurkritiek. De dames en heren lijken daarin sterk op elkaar in hun hang naar vroeger en hun afkeer van geld, of preciezer: van poenigheid. In deze boeken staat geen gezeur over hoe boven het Nederlandse maaiveld de hoofden altijd afgeslagen worden.

Integendeel, de missie van de schrijvers lijkt juist te liggen in het eren van hun eenvoudige medeburgers, de vrienden van altijd en de ouderwetse liefhebbers. Ze keren zich tegen de jonge succesmanagers van de it-generatie. Het beste voorbeeld van die houding beschrijft Youp van 't Hek in Het zal me jeuken (zonder concurrentie de akeligste titel). Nu staat Van 't Hek al jaren op voet van oorlog met een deel van zijn fans: hij trekt de mensen aan die hij zelf het meest verafschuwt. Dat beleefde vorig jaar een zeldzame climax toen de cabaretier ontdekte dat het grootste deel van de kaartjes voor zijn oudejaarsvoorstelling was opgekocht door organisatiebureaus die ze in een peperduur arrangement doorverkochten. Hij gelastte zijn voorstelling af. `Een publiek dat voor mij tweehonderdvijftig gulden betaalt, heeft niets van mij begrepen en zal op iedere grap verkeerd reageren.' Uiteindelijk gebruikt Van 't Hek een belangrijk deel van zijn boekje om de tijdgeest die hem zo graag knuffelt (hoe dan ook is hij het soort artiest waar mensen 250 gulden voor willen betalen) aan te vallen.

Minder opzichtig proberen ook de anderen zich al schrijvend van het oppervlakkige deel van hun publiek te distantiëren. (Herman Finkers is de uitzondering op deze regel. In Kalm aan en rap een beetje, zijn bundel theaterteksten, draait alles om de moppen die hij vertelt. Dat valt niet mee. In de inleiding zegt hij overwerkt te zijn geraakt omdat het zo vermoeiend is zijn eigen humor avond aan avond te moeten horen. Zonder de presentatie en timing van de komiek, is het uurtje waarin je zijn boekje leest al bijna een overdosis).

Zo verraden de kassaschrijvers dat Nederland nog altijd meer een land van dominees is (`dat Amnesty International nooit iets doet aan de marteling van het woord vrijheid in commerciële slagzinnen is verbazingwekkend', schrijft Heertje bijvoorbeeld) dan van glamourboys. Hun voornaamste evangelie is een aloude calvinistisch geïnspireerde polderzang: de zoektocht naar het onbedorvene en het zuivere, naar het eenvoudige en onaangetaste, naar iets wat nog niet is aangetast door het flitskapitaal. Naar iets wat niet meer bestaat. Niets wordt in deze boekjes dus zo gecultiveerd als de nostalgie. Van 't Hek legt uit hoe hij zich een jaartje rust voorstelt, `terwijl ik met Sjaak Swart over vroeger mag praten. Vroeger, toen Ajax nog op gras speelde, we nog uitkeken naar een Europacupavond en niemand de gore moed had om met nummer veertien te spelen.'

Zes van de auteurs zijn mannen en voetbal komt dan ook vaak aan de orde. Voor de meeste schrijvende voetballiefhebbers gaat de belangrijkste sport van het land inmiddels schuil achter supportersrellen, skyboxen, spelersmakelaars en een eindeloze stoet sponsors. Voetbal is toegepaste nostalgie geworden: spelers van vroeger, tribunes van vroeger en gras van vroeger. Maarten Spanjer vertelt in Vissen is ook een sport over zijn verleden als ballenjongen bij de trainingen van het oude, grote Ajax, een loopbaan die uiteindelijk gesmoord werd toen hij een bal te hard terug op het veld schoot, recht in de rug van `Meneer Michels'. Die stuurde hem voor eeuwig weg. In het boekje van Spanjer – dat deels bestaat uit in twee eerdere bundels gepubliceerd materiaal – schetst hij een ontroerend portret van zijn `Oom Wim'. Deze ging naar iedere thuiswedstrijd van Ajax en hield in een groot `Sinterklaasboek' netjes de opstellingen en de uitslagen bij. Hij had zijn trots: in zijn bijzijn had Ajax nog nooit verloren. Wanneer hij met zijn kleine neefje Maarten naar de wedstrijd Ajax-Fortuna '54 gaat, gebeurt het onvermijdelijke. Ajax verspeelt een drie-nul voorsprong en verliest met vier-drie. Maar niet bij Oom Wim. Die houdt vol dat het een gelijkspel was, ook als na zijn neefje ook de radio en de krant anders beweren. Zo schrijft hij het uiteindelijk ook met de hand bij in zijn uitslagenboek: Ajax-Fortuna '54 3-3. Uiteindelijk zal Oom Wim sterven in 1978, een dag na het bezoeken van de dramatisch verlopen afscheidswedstrijd van Johan Cruijff tegen Bayern München.

Het literaire niveau dat Spanjer in een aantal verhalen bereikt, kom je bij de anderen niet tegen. Sommigen geven wel nadrukkelijk blijk van de problemen die optreden als een niet-schrijver een boek wil maken. Dat blijkt het sterkst in Een vruchtbaar gesprek van Raoul Heertje. Zijn boek bestaat uit een serie brieven aan `Knurkie', zijn nog ongeboren kind. Ergens in het boek schrijft hij: `Je vader verdient geld met de dingen te zeggen die hij vroeger ook op het schoolplein zei. En toen kwam er een mevrouw van een uitgeverij. Zo'n mevrouw die vroeger alleen maar meewarig knikte als ze me hoorde praten. Ze vroeg zich af of ik niet eens een boek wilde schrijven.'

Het pleit zonder meer voor Heertje dat hij in het boek méér wil vertellen dan dat oude schoolpleinmateriaal. Hij heeft het onder meer over wat de dood van een jongere broer voor hem heeft betekend, het al dan niet bestaan van een god, over de liefde, vrijheid, oftewel het bestaan in al zijn complexiteit. Stilistisch is hij echter niet opgewassen tegen dat materiaal; hij vindt de juiste woorden niet: `Op een gegeven ogenblik heb je door wat jouw gebruiksaanwijzing volgens anderen is en dan ga je je daar ook naar gedragen. En dan wordt het verschil tussen wat je was en wat je bent eigenlijk steeds groter terwijl het lijkt of je steeds meer bent wat je was.' Op een gegeven moment voorspelt hij dat de eerste woorden van zijn kind zullen luiden: 'Ik kan misschien niet praten, maar mijn papa kan echt niet schrijven'. Juist omdat de ontboezemingen zo onbeholpen zijn, is Een vruchtbaar gesprek bij vlagen echt ontroerend. Uiteindelijk blijken de gebeurtenissen onbeschrijflijk voor de komiek: `O, Noa. Je bent geboren. Ik moet de hele dag bijna huilen.'

Heertje excuseert zich af en toe voor de `tegelteksten' die hij op zijn ongeboren kroost loslaat. In Daphne Deckers' De geboorte van een moeder staan er een stuk meer, van het soort `Moeder... is de overtreffende trap van moe'. Het grote verschil tussen het boek van de moderne vrouw Deckers (`Het viel me eerlijk gezegd toch een beetje tegen hoe weinig ouders hun kinderen daadwerkelijk de naam van de moeder geven') en dat van Heertje is een direct gevolg van de verschillende manieren waarop mannen en vrouwen nu eenmaal met zwangerschap te maken krijgen; bij Deckers gaat het niet om de verhouding tussen iets of niets, maar om praktische, lichamelijke zaken: `Toen ik eenmaal brakend boven de wc hing, was er van dat mystieke gevoel weinig meer over'. Deckers, zelf televisiepresentatrice en actrice in onder meer James-Bondfilms en getrouwd met de beste Nederlandse tennisser aller tijden, lijdt zonder twijfel het meest glamoureuze leven van alle kassaschrijvers. Ze doet er echter alles aan om dat bestaan terug te brengen tot algemeen menselijke proporties. Wanneer haar echtgenoot er niet is omdat hij een toernooi moet spelen, schrijft ze het op alsof hij een vrachtrijder is die een lading bloemkolen naar het buitenland moet rijden. Deckers stelt zich tegenover haar lezers eerder op als een welzijnswerker dan als een dominee; ze geeft praktische adviezen, tot honderdvijftig postnatale `eettips' toe.

Nostalgisch is Deckers niet, waarmee ze zich niet alleen onderscheidt van de romantisch aangelegde mannen bij de kassa, maar zeker ook van Majoor Bosshardt, wier levensverhaal in Met hart en ziel werd opgetekend door Eline Verburg. De 87-jarige heilsoldaat is allesbehalve een moderne vrouw; haar conservatisme wordt alleen gedempt door haar nooit aflatende compassie met de rest van de mensheid. De Majoor maakt duidelijk dat haar eigen leefregels niet altijd eenvoudig op te volgen zijn. De verlangens van de ongetrouwde Bosshardt worden gehinderd door haar vaste voornemen om geen seks zonder huwelijk te hebben. Dat was lastig bij haar verliefdheden op vrouwen, ook al omdat ze tegenstander is van het homohuwelijk. De liefde voor een man liep stuk op zijn huwelijkse staat. Zij wilde niet dat hij zou scheiden. `Toen hij overleed, ben ik niet op zijn begrafenis geweest, maar ik ben zijn weduwe wel gaan condoleren. Ze vertrouwde me nog toe dat ze zo'n goed huwelijk hadden gehad. Tegen mij had hij echter altijd verteld dat het helemaal niet zo geweldig was, maar dat heb ik uiteraard niet doorverteld.' Als het geen citaat van de meest onkreukbare bejaarde van Nederland was, zou je het bijna hypocriet vinden.

Een van de dingen die Raoul Heertje zijn Knurkie vraagt, is of het kind heeft gehoord hoe hij het citatenboek van Johan Cruijff voorlas, in de hoop dat de eerste woorden van de kleine `Elk nadeel heb z'n voordeel' zouden zijn. Die inmiddels door veelvuldig gebruik ernstig versleten uitdrukking was een van de schatten in het door Henk Davidse samengestelde boek Je moet schieten, anders kun je niet scoren, hét kassaboek van 1998. Davidse heeft nu een vervolg gemaakt, samen met Henk ten Berge: Johan Cruijff is ongeneeslijk beter. Helaas valt het vervolg tegen; het zijn meer verhalen over Cruijff dan uitspraken van Cruijff. Veel nostalgie, maar weinig nieuws. Juist omdat de Cruijffologie inmiddels zo wijd verbreid is dat de anekdoten wel bekend zijn. Bovendien heeft iedereen het notitieboekje al op schoot als de meester in beeld verschijnt, waardoor de aardigste citaten (`Je moet geen mening hebben waar die niet is' en `Het is bij een voorzet zo: je bent te vroeg, je bent te laat of je bent op tijd') hun weg al hebben gevonden, ook al omdat Cruijffs voornaamste concurrentie in de taalcreatie, het duo Koot en Bie, inmiddels is ontbonden.

Een aantal uitspraken van Cruijff komt ook aan de orde bij Mart Smeets, de presentator die ooit de zin `Hard werken is geen kunst' tegen een interviewster bromde en deze winter zelfs met twee boeken bij de kassa ligt. Waarvan Oranje boven! de voor dit genre kolossale omvang van 207 bladzijden heeft. De boeken van Smeets zijn voor de doorlezers onder de kassakopers. Hoewel de ankerman van Studio Sport een Bourgondische levensinstelling niet ontzegd kan worden – Prikkels gaat voor een belangrijk deel over eten – zijn ook bij hem de bekende poenige vijanden te zien: `En ja hoor, daar kwamen ze. Ik voelde ze komen – nee ik rook ze. Zelfingenomenheid heeft ook een geurtje. Zes man; veertigers, goed gekleed, sponsordas iets te losjes om de nek, glaasje in de hand olé, olé, olé.'

Wat Smeets ook wel weet, is dat er zich in de koffers van die zes leaseproleten ongetwijfeld evenveel op het vliegveld aangeschafte deeltjes van zijn oeuvre zitten. Dat is pijnlijk, maar het maakt hem ook een dominee met een boodschap die hij deelt met de andere kassaschrijvers; hij weet zeker dat hij niet in een lege kerk staat te praten: de zondaars kopen zijn boeken en betalen er ook nog voor. Zo zijn de kassaboekjes niet alleen goed nieuws voor binnenlopende uitgeverijen, maar ook voor de boekenwereld in het algemeen. Niet omdat hun kwaliteit zo uitzonderlijk is, maar omdat het boek de iconen van het land ertoe brengt zich van hun schmink te ontdoen en zich te ontpoppen als missionarissen voor wat er nog van waarde is in deze wereld. Zo levert 1360 bladzijden kassaproza uiteindelijk een kerstgedachte op: het schrijven van een boek brengt het beste naar boven.

Youp van 't Hek: Het zal me jeuken. Thomas Rap, 150 blz. ƒ15,-

Maarten Spanjer: Vissen is ook een sport. Voetbalverhalen.

Thomas Rap, 140 blz. ƒ25,-

Raoul Heertje: Een vruchtbaar gesprek.

Het Spectrum, 103 blz. ƒ24,15

Mart Smeets: Oranje boven! Een jaar sport. L.J. Veen, 207 blz. ƒ19,90

Mart Smeets: Prikkels.

L.J. Veen, 192 blz. ƒ24,90

Herman Finkers: Kalm aan en rap een beetje. Novella, 141 blz. ƒ16,90

Daphne Deckers: De geboorte van een moeder. Over zwanger zijn en moeder worden. Tirion, 142 blz. ƒ19,90

Eline Verburg: Majoor Bosshardt. Met hart en ziel.

Bzztôh, 128 blz. ƒ15,-

Henk Davidse en Henk ten Berge: `Johan Cruijff is ongeneeslijk beter'. Anekdotes, belevenissen en uitspraken.

Bzztôh, 157 blz. ƒ19,50