Achter de schermen van het Moma

Het Museum of Modern Art in New York bezit de indrukwekkendste collectie moderne kunst ter wereld. Het MoMA is volledig afhankelijk van vermogende particulieren. Ook voor de grote uitbreiding.

Wie de meest indrukwekkende kunst wil zien die de 20ste eeuw heeft voortgebracht, moet naar het Museum of Modern Art in New York. Alle kunstenaars van betekenis hebben daar met hoogtepunten van hun werk een thuis gevonden. Niet alleen beeldende kunst – vanaf Seurat, Matisse, Picasso, Pollock en Beuys tot en met Kiefer, Bourgeois, Gary Hill, Rachel Whiteread en Damien Hirst –, het MoMA bezit net zo goed monumentale verzamelingen design, films, video's en architectuurontwerpen.

Wat begon als een avontuur van drie gefortuneerde dames, die te doen hadden met de eigentijdse kunstenaar als verschoppeling – Vincent van Gogh was hun legendarische voorbeeld – groeide in de bijna zeventig jaar van zijn bestaan uit tot het meest vooraanstaande museum voor moderne kunst ter wereld. En nog steeds zijn het particulieren die dit `bedrijf' in stand houden. Het kleinste bedrag in het jaarverslag 1999 is afkomstig van de stad New York.

Terwijl de Nederlandse overheid jaarlijks honderden miljoenen naar de musea doorsluist, moet het MoMA, net als de meeste andere musea in Amerika, voor zijn jaarlijkse exploitatie bijna honderd miljoen gulden bij burgers en bedrijven zien op te halen. ,,En dat is alleen nog maar voor gas, licht en salarissen'', aldus de MoMA-directeur Fundraising.

De Nederlandse musea mogen dan grotendeels verzelfstandigd zijn, juist wat die fondsenwerving betreft, lukt het zelfs in deze tijd van overvloed nauwelijks om bedrijfsleven en particulieren voor het verzamelen en exposeren – laat staan conserveren – van ons cultureel erfgoed aan zich te binden. Op de internationale kunstmarkt speelt Nederland allang geen rol meer van enige betekenis. Zelden reizen spraakmakende tentoonstellingen van moderne en eigentijdse kunst nog onze richting uit. De financiën ontbreken, aldus ingewijden.

Wie weet slagen Philips-topman Cor Boonstra en ING-collega Ewald Kist erin om, zoals zij vorige maand bekendmaakten, het Nederlandse bedrijfsleven te inspireren om een particuliere stichting als het Nationaal Fonds Kunstbezit te begunstigen. Een stichting die zich inzet voor nationale collectievorming, zodat er tenminste belangwekkende kunstwerken, en hopelijk ook eigentijdse stukken, kunnen worden aangekocht. En wie weet lukt het de recent aangestelde `managers' beter dan de kunsthistorici om als museumdirecteur zowel geldschieters en verzamelaars alsook een groter publiek en vrijgevige kunstenaars bij het museum te betrekken.

Reden te meer om eens achter de schermen te gaan kijken van het MoMA, dat zijn bestaan èn zijn bezit van ruim 100.000 stukken wèl volledig dankt aan privé-personen. Wat het publiek te zien krijgt, zijn de doorwrochte tentoonstellingen, veelal samengesteld uit de eigen collecties. Zelden krijgt men zicht op de interne organisatie, op het management, de besluitvorming, op de financiering en vooral op de betrokkenheid van particulieren.

Een van die particulieren is Anne Marie Shapiro. Ze woont in een onbetaalbaar appartement in Midtown Manhattan. Goudgetreste portiers brengen elke bezoeker na een interne, telefonische controle per lift naar boven en daar hangen dan meteen de doeken waar je van droomt. Een Philip Guston, een schilderij van Cy Twombly, Agnes Martin en Sigmar Polke, een sculptuur van Louise Bourgeois, een keramisch stilleven van Kiki Smith: het houdt niet op.

,,Toen de jongste naar school ging, ben ik cursussen gaan volgen in het Guggenheim Museum en daarna is de beeldende kunst me steeds meer gaan fascineren'', vertelt Anna Marie Shapiro, in een blauw mantelpakje op een bankstel van Schotse ruit. Alles aan haar is ingetogen. Een oudere, zwarte dame met een wit schortje serveert thee in Soestdijk-kopjes en `home-made cookies', zo groot als een stuiver.

,,Vroeger, in Texas, wist ik van niets. Mijn ouders hielden zich verre van kunst. Pas later ging ik erover lezen, ik wist mijn man te interesseren en daarna werd het verzamelen een verslaving. Juist in eigentijdse kunst word je geconfronteerd met zaken die we liever verre van ons houden. En de inzichten die kunstenaars daarover bieden, spreken mij zeer aan. De laatste jaren kopen we minder. We worden ouder. Konden we opnieuw beginnen, dan verzamelden we alleen maar hedendaagse tekeningen.''

Op menige brochure en uitnodiging van het MoMA prijkt in minuscule letters de naam van het echtpaar Shapiro. Zij financieren aankopen en tentoonstellingen. Vragen naar hun exacte bijdragen is `not done'. Veel is het wel. Voor Anna Marie Shapiro is het MoMA ,,numero uno'', zegt ze. Wat staat er tegenover die generositeit? ,,Niets. Ik betwijfel zelfs of het museum schenkingen uit onze collectie zal accepteren. Ik denk het niet, de kunstwerken dienen van zeer hoge kwaliteit te zijn en de conservatoren moeten erin toestemmen. Ik ben maar een amateur.''

Bij datzelfde MoMA is Shapiro bestuursvoorzitter, `Committee-Chairman', van de afdeling Grafiek. Geen enkele aankoop of schenking op dit terrein komt het museum binnen zonder een meerderheid van stemmen binnen dat Committee. Een bestuur van zo'n vijftien leden, Amerikaanse verzamelaars, die gevraagd zijn vanwege hun goede reputatie, hun maatschappelijke verdiensten en hun specifieke kennis van kunst.

Het MoMA telt zes van die Committees: schilder- en beeldhouwkunst, tekeningen, prenten, fotografie, architectuur en design, film en video. De leden vergaderen om de twee maanden en dragen elk jaar zo'n 30.000 gulden aan het museumbudget bij. Een ieder is tijdens zijn vaak levenslange bestuursperiode aan strenge, ethische richtlijnen gebonden. Men mag bij privé-aankopen geen oneigenlijk gebruik maken van zijn bestuursfunctie, geen adviezen bij de conservatoren inwinnen over zijn of haar collectie, geen eigen stukken in het museum laten restaureren, niet bieden op museumverkopen etc.

De vraag of Donald Trump, met zijn `sky high' bezittingen om de hoek, op Fifth Avenue, ook zitting in zo'n Committee kan nemen, wordt later door de `president' van het MoMA met een kort `no, no' afgedaan: ,,Een bestuursfunctie is niet te koop. Al zou Bill Gates ons nog zoveel schenken, liefde voor de kunst, afkomst, stijlgevoel en smaak geven de doorslag.'' En dan nòg moeten een ballotage-commissie èn de Board of Trustees, het hoogste bestuursorgaan, instemmen met een benoeming.

De enige Europeaan in zo'n Committee is Christiaan Braun, oprichter van Museum Overholland in Amsterdam (1987-1990). Dit vaak geprezen, particuliere museum voor de moderne tekenkunst sloot zijn deuren, omdat de gemeente weigerde zijn beloften over een Museumplein-zonder-kermis-en-wansmaak na te komen. Braun, die al vijf jaar aan het MoMA is verbonden, maakt nu tentoonstellingen in het Stedelijk Museum in Amsterdam, in Kabinet Overholland, op basis van de collectie van Overholland èn met bruiklenen uit New York. ,,Een samenwerking die zal worden voortgezet'', aldus de MoMA-directie.

Dat Anna Marie Shapiro nauwkeurig het museumbeleid volgt, dat zij nieuwe sponsors werft, dat ze in galeries de grafiek in de gaten houdt: het blijft tijdens ons gesprek onuitgesproken. ,,Uit bescheidenheid en uit respect voor het MoMA'', zegt een directielid. En heeft een van de conservatoren een uitzonderlijk werk op het oog, terwijl het budget die aankoop niet toestaat, dan springt een `Committee-member' bij. Shapiro: ,,We laten belangrijke stukken niet aan onze neus voorbijgaan.''

IJsblauw

De invloed van de zes `Committees' op de dagelijkse gang van zaken is ,,substantieel'', vertelt Glenn D. Lowry, sinds zes jaar algemeen directeur van het MoMA. ,,Zij richtten dit museum op, vormden de collectie, en dragen nu bij aan zowel de huidige ontwikkeling als de toekomstige koers van het museum. Maar toch is de basis van dit museum de hooggekwalificeerde staf. De expertise van onze conservatoren, die tot uitdrukking komt bij aanwinsten en tentoonstellingen, in publicaties en lezingen, maakt het MoMA tot wat het is.''

Lowry lijkt 35, maar is 46 jaar. Een kwikzilverachtige motoriek, staccato antwoorden, de ijsblauwe ogen van Paul Newman en het zelfvertrouwen van een `captain of industry'. Onder zijn bestuur is het bezoek met vijftig procent toegenomen. Met de zinsnede `Let's take a decision nòw' bekort hij zijn stafvergaderingen.

Waarom zet Lowry zijn conservatoren in de schijnwerpers en treedt hijzelf als boegbeeld niet wat meer op de voorgrond?

,,Ah, u vindt dat ik nogal onzichtbaar ben? Prima, dat is precies wat ik wil. Zoveel mogelijk onzichtbaar blijven, en het museum naar voren schuiven.'' Twintig tot dertig procent van zijn tijd besteedt Lowry aan het financieel in stand houden van het MoMA. ,,En dat is geen verloren tijd, want ik test ook mijn ideeën. Of overheidsfinanciering meer voordelen biedt, betwijfel ik. Misschien zijn Nederlandse museumdirecteuren diezelfde tijd kwijt aan overleg met hun ambtenaren.''

Lowry ambieerde dit directeurschap ,,nooit en te nimmer''. Hij studeerde Islamitische kunstgeschiedenis en via een museum in Ontario kwam hij naar New York. In de weekeinden schrijft hij nog steeds boekbesprekingen op zijn terrein, mits er geen andere verplichtingen jegens het museum zijn. ,,Elke werkdag begin ik hier om zeven uur, en datzelfde geldt voor de zes hoofdconservatoren. Meestal ontbijten we met vrienden van het museum of er staan lezingen op het programma. We werken vaak tot middernacht door, en ook in de weekeinden.''

De komende jaren staat het MoMA voor de meest ingrijpende fase in zijn bestaan. De permanente collectie verhuist in 2002 tijdelijk naar het Slim Line Building, een voormalige nietjesfabriek in Long Island City, Queens. Daar wordt het tentoonstellingsprogramma ononderbroken voortgezet met topstukken uit de eigen collectie en een Max Beckmann-`show'. In Manhattan presenteert het museum eerst nog overzichten van Mies van der Rohe, Giacometti en Gerhard Richter. En daarna sluit het tot eind 2004 zijn deuren voor renovatie en nieuwbouw. Het krijgt een breed, sereen en wit blok van de Japanse architect Yoshio Taniguchi (63). Hij won van twintig collega's, onder wie Rem Koolhaas en Wiel Arets.

Eindeloos soebatten over vorm en financiering van de nieuwbouw is er niet bij. De plannen voor de inrichting, tentoonstellingen, werkruimten etc. liggen allang klaar. Lowry: ,,Het is heel simpel. Als wij niet tot in de details onze plannen kunnen overleggen, krijgen wij de Trustees niet mee om het project te financieren. Zij willen precies weten hoe het ervoor staat. Alles staat zwart op wit.''

Bulldozers woelen al door de beeldentuin. De loden nimf van Aristide Maillol die liggend op haar rug, naar het water in de vijver tast, krijgt straks meer reikwijdte. De afbraak van het aangekochte Dorset Hotel is al begonnen. Via `een binnenboulevard' zal de bezoeker niet meer alleen via de 53ste maar ook via de 54ste Straat toegang krijgen tot het gebouw.

Taniguchi laat het MoMA zelf strak in hoogte en breedte uitdijen. Meer lucht en ruimte. Tuin, terras en transparante ambiance lijken bij een computersimulatie op een high tech-oase. Veel glas, een hoog atrium, bredere trappen, ruimere en meer flexibele zalen en een grotere bibliotheek. Om een idee te geven: straks komen ook de sculpturen van Richard Serra van zo'n 4 bij 17 meter gewoon op zaal te staan.

Deze uitbreidingsoperatie kost 650 miljoen dollar, 1,8 miljard gulden, vier keer zoveel als het Rijksmuseum in Amsterdam. Schrik niet, drie particulieren hebben al een miljard binnengebracht, de stad New York draagt ruim 150 miljoen gulden bij, uit waardering voor het educatieve beleid van het MoMA dat met uiteenlopende leerprogramma's zelf scholen voor zich moet zien te winnen.

Waarom koos het MoMA voor zo'n ingetogen ontwerp, terwijl het nabije Guggenheim Museum, dat met een motoren- en Versace-`show' steeds populistischer wordt, weer zo'n dynamische constellatie van golven en welvingen neerzet, ontworpen door Frank Gehry?

Lowry gaat abrupt rechtop zitten: ,,Niet spectaculair? Het ontwerp van Taniguchi is poëtisch, lyrisch, schitterend, significant. Een ontwerp behoeft geen spektakel om toch sensationeel te zijn. Wij gaan van 25.000 naar 39.000 vierkante meter expositieruimte. Straks kunnen we twee keer zoveel van onze alsmaar groeiende collecties laten zien. Begin jaren zestig is overwogen om het bezit te consolideren en alleen maar leemten op te vullen. Gelukkig werd toen anders besloten, anders hadden we nu Warhol, Rauschenberg en Johns moeten missen. Reden om in de 21ste eeuw net zo alert de kunst van nu te blijven volgen. Dat neemt niet weg dat de vitaliteit van dit museum sterk in de vorige eeuw geworteld is.''

Na de heropening in Manhattan zal het Slim Line Building in Queens in gebruik blijven als archief, studie- en conserveringscentrum. In datzelfde Queens ligt het kunstcentrum PS1, met zijn actuelere kunst en hogere tentoonstellingsfrequentie, dat recentelijk in het MoMA is opgegaan. The museum should follow a respectful step or two behind the artists, zei MoMA-directeur Alfred H. Barr Jr. al in de jaren dertig. Wijkt het museum voor de jonge kunst liever uit naar PS1? ,,Geen sprake van'', zegt Lowry. ,,We houden van risico's, en we zullen die in het toekomstige MoMA alleen maar laten toenemen. We gaan bovendien zowel intellectueel als commercieel nauw samenwerken met de `emerging' Tate Modern in Londen, een bedrijf opbouwen – tentoonstellingen uitwisselen, internet, museumwinkels –, want we hebben dezelfde belangen. Een museum kan niet stilstaan. Om u een indruk te geven: vorig jaar werd onze website – 4.000 pagina's met 1.250 topwerken – 2.6 miljoen keer bezocht, dit jaar zitten we aan de vier miljoen. We werken aan een zogenaamd `3D-virtual museum', zodat de bezoeker via het beeldscherm door het museum wandelt.'' Verder gaat Lowry's voorkeur wat Europese musea betreft uit naar het Reina Sofia in Madrid en het Museum für Angewandte Kunst in Wenen.

In de huidige kantoren van de personeelsleden, werkhokken vol ladekasten en andere dwalende archieven, werkt menige conservator-assistent aan een bureau ter grootte van een sinaasappelkist. In het directiesecretariaat wachten bezoekers op twee stoelen, geperst tussen de kapstok en kartonnen dozen. Lowry: ,,Nee, we gaan er wat kantoren betreft beslist niet op vooruit, ze zullen wat beter georganiseerd worden. Meer werkruimte hoeft niet. Ik houd niet van `fancy' kantoren. Geef mij maar een uitmuntend museumgebouw. En méér bezoekers. Vorig jaar waren dat er 1.9 miljoen. Ons streven is 2.5 miljoen.'' Nu al haalt het museum dertig miljoen gulden binnen uit de kaartjesverkoop.

,,Ons eigen vermogen is 420 miljoen dollar'', zegt Lowry,,,en vijf procent van het rendement gaat jaarlijks naar bijzondere aankopen en projecten. We willen er nog 110 miljoen dollar bij. De eerste dertig zijn al binnen. De rest mag wel even duren. Die reserves zijn belangrijk. Gaat het economisch slechter, dan merken we dat onmiddellijk. Onze budgetbewaking is streng, we geven nooit een cent teveel uit.''

Mompelende BH

Tot 30 januari is Open Ends te zien, kunst vanaf 1960, als slotstuk van een driedelig totaal-overzicht van MoMA's 20ste eeuw. Voor de elf thema-tentoonstellingen die Open Ends op drie etages omvat, koos hoofdconservator Kirk Varnedoe uit de eigen collecties bekende en onbekende stukken van ruim 400 kunstenaars. Weinig video, veel foto`s, maar ook stoelen en lampen, zeer uiteenlopende architectuurontwerpen, sculpturen, schilderijen en bizarre objecten, een zwart kogelvrij masker bijvoorbeeld.

Confrontaties tussen de bekende Pop Art-doeken van Warhol en Rauschenberg, de foto's van Cindy Sherman en de wandvullende, mompelende BH, Adjustable Wall Bra (1990), van Vito Acconci. Bij de sectie architectuur kom je zowel Rem Koolhaas tegen als de kantoorkolossen van fotograaf Andreas Gursky. Sciencefiction landschappen van architecte Zaha Hadid versus een tekening uit 1981 van James Wines (1932), Highrise of Homes Project, die sterke gelijkenis vertoond met het wandloze Nederlandse paviljoen op de Wereldtentoonstelling in Hannover.

De afdeling design deelde stukken in op basis van het materiaal, zoals touw, glas of plastic. En je loopt er ineens tegen een kaarsvet-kleurige commode op van videomaker Matthew Barney of tegen de gang van bijenwasblokken, die Wolfgang Laib optrok. Onder de titel Innocence and Experience zijn vele foto's van gelukkige en gemaltraiteerde kinderen samengebracht, Rineke Dijkstra versus Diane Arbus.

Open Ends is overvloed en fragmentatie, gelijkenis en onderscheid, verrassing en vertrouwdheid. Het museum legt hier geen rekenschap af over zijn aankoopbeleid en biedt evenmin een kunsthistorisch houvast. Deze stortvloed aan naoorlogse zienswijzen en verbeeldingen, met niet eerder vermoede paralellen, is vooral een eerbetoon aan het autonome, eigenzinnige kunstenaarschap.

Bij Open Ends vermelden sommige schenkingen `Over Holland', zoals bij de African-American Flag van David Hammons (1990). Deze wapperde tijdens de laatste Overholland-tentoonstelling, Black USA, op het Museumplein en hangt nu naast de legendarische Flag (1954-55) van Jasper Johns. Christiaan Braun weigert commentaar te geven op zijn schenkingen. Heropent hij straks in ergens in Nederland Museum Overholland? Blijven die andere 1.500 werken uit zijn verzameling in ons land of gaan ze naar New York? Terug naar Lowry: ,,Christiaan behoort tot onze familie. Wat hij met zijn verzameling van plan is, weet ik niet. Dat moet u hem zelf vragen. Maar natuurlijk willen we die graag hier hebben.''

Shapiro en Lowry zeiden het al: de conservatoren bepalen samen met de Committees welke kunstwerken aan de collecties worden toegevoegd. Eén van de 45 conservatoren – in het MoMA werken 630 mensen – is Robert Storr, specialist in eigentijdse kunst. Een schrijvende schilder, wiens boeken en catalogi ook buiten Amerika graag worden gelezen. ,,U moet het zien als een rechtszitting. De `Committees' vormen de jury, en ik treed op als de advocaat, die elke aankoop of schenking vurig moet bepleiten of verdedigen.''

Alles moet hier worden bevochten, vertelt Storr. Ook voor hun eigen tentoonstellingsplannen moeten conservatoren op stafvergaderingen fel opkomen. ,,Want de ideeën dringen van beneden naar boven door, en niet omgekeerd. Dat kan hoog oplopen, maar we respecteren elkaar, we hebben weinig tijd voor eindeloos overleg, want aan elke tentoonstelling gaan gemiddeld vier jaar van voorbereiding vooraf. En we willen geen van allen contraproduktief zijn. Uiteindelijk beslist in deze de directeur. Voorwaarde blijft wel dat wij ons bij het resultaat comfortabel voelen. Van dictatuur is geen sprake, dat zouden de conservatoren hier niet tolereren.''

Storr vertelt over een recente aanwinst, ,,een tonnenzwaar, bloedlelijk en agressief beeld'' van Chris Burden (1946). Burden verbeeldde de 19de-eeuwse angst voor een wereldwijde spoorweg-woekering in een globe van puin, aarde en rails met treintjes: Medusa's Head (1989-'92), die sinds kort boven in de hal hangt. Terloops meldt hij nog dat architect Philip Johnson af en toe een busje bestelt om weer wat van zijn Cézanne's en Picasso's te laten ophalen. Johnson schonk al zo'n werk of vierhonderd, afgestemd op MoMA's verlanglijstjes.

Storr: ,,Een conservator denkt in dingen. Hoe meer een museum bezit, des te meer kan je als conservator vertellen. Daarom werk ik hier zo graag en daarom schrijf ik zoveel. Lange tijd was het MoMA nogal behoudend in zijn aankoopbeleid. We verwerven nu wereldwijd meer eigentijdse kunst dan voorheen en daartoe is dit museum ook opgericht.

,,Zoals New York na de crash op Wall Street in 1987 niet langer het centrum van de beeldende kunst is, zo is de schilderkunst niet langer de dominante discipline. En we willen bovendien het publiek niet steeds laten zien wat het wil zien, schilderkunst dus.'' Over de populaire trend bij jonge, Nederlandse conservatoren om alle disciplines te klutsen, is Storr verre van enthousiast. ,,Het gevaar ligt op de loer dat je in plaats van een tentoonstelling een boek met veel reproducties en met weinig informatie laat zien. En dat werkt verwarrend.''

RAF-kunst

Een belangrijke, recente MoMA-aankoop is October 18, 1977 (uit 1988) van Gerhard Richter. Vijftien doeken over leven en dood van Rote Armee Fraktion-leden, geschilderd als wazige zwart-wit krantenfoto`s. Het MoMA wachtte tot de tienjarige bruikleen van Richter aan de Kunsthalle Frankfurt voorbij was. En sloeg toen toe. Maar die doeken horen als historisch èn kunsthistorisch erfgoed toch in Duitsland thuis?

,,Richter gaf zelf de voorkeur aan het MoMA'', vertelt Storr. ,,Zijn schilderijen zijn van internationale allure, complex en gelaagd, over twijfel en onzekerheid in een politieke werkelijkheid. Vergelijkbare, politieke gebeurtenissen hebben zich hier ook voorgedaan. Verbijsterend dat geen enkele Amerikaanse kunstenaar zich destijds aan zo'n beladen, politiek thema heeft gewaagd. Men produceerde hier `protest art', die zich beperkt tot meningen over politieke kwesties. Maar zoals Gertrude Stein al zei: `Meningen zijn geen literatuur.'''

Storr is acht jaar niet met vakantie geweest. Reizen doet hij tòch wel, maar dan voor het museum: naar debatten, kunstenaars, tentoonstellingen. En 's avonds moet hij vaak lezingen geven. ,,Waar ik ook ben, ik probeer zoveel mogelijk galeries te zien. Ik sta voor `the living art' en je sterft als je vanachter je bureau alleen maar telefoneert met andere museummensen. Het valt me in musea ook meteen op als ze op slot zitten, of dat ze in beweging zijn èn fouten durven te maken, want anders is het de dood in de pot. Als elk Committee-lid, elke conservator hier bang zou zijn, verandert het MoMA in Siberië.''

Boijmans en Stedelijk

Het MoMA drijft op zijn fanclub van `friends' (2.500 dollar), `associates', `patrons', `benefactors' tot en met `leaders' (25.000 dollar) en `sponsors' (100.000 dollar), die jaarlijks zo'n 75 miljoen gulden in kas brengt. Staat er een uitzonderlijk kostbare tentoonstelling op stapel, dan moet het museum opnieuw bij particulieren en bedrijfsleven aankloppen.

Dat de Nederlandse overheid en musea nog niet goed uit de voeten kunnen met een bedrijfsmatige aanpak en de daaraan verbonden fondsenwerving, blijkt uit een paar recente affaires. Directeur Chris Dercon van Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam, die op last van de gemeente ook zèlf geld moest zien te vinden voor de nieuwbouw, wilde een schilderij van Mark Rothko verkopen. Een plan, waar zowel zijn staf als de gemeente een stokje voor staken. En dan was er de Audi-affaire in het Stedelijk Museum. Het Duitse autobedrijf wenste voor een renteloze lening van tien miljoen gulden een `présence' in het museum, waar het gemeentebestuur niet van gediend was.

,,Een auto in het MoMA?'' Michael Margitich, MoMA-directeur Fundraising, zwijgt en kijkt me vol ongeloof aan. ,,Nee, uitgesloten. Als we hier een auto willen tentoonstellen, dan alleen als onderdeel van de collectie design. Het bedrijfsleven weet dat sponsoring hier aan strikte regels is gebonden. Geen logo's in advertenties of catalogi, hooguit een bescheiden naamsvermelding, een of meer ontvangsten voor relaties, en verder `no say at all!'. We houden onze integriteit scherp in de gaten.''

Als voormalig fondsenwerver voor de universiteiten van Harvard en Columbia en voor het New York Philharmonic, weet Margitich dat hij zijn verzoeken om geld behoedzaam moet spreiden. ,,Mijn afdeling begint elk jaar met nul in de kassa. En daar heb ik soms slapeloze nachten van. Een groot ego moet je in deze functie niet hebben. Wie veel geld wil schenken, vraagt naar directeur Lowry, en niet naar mij. Ik moet blind geloven in mijn museum en dat vooral uitstralen. Kost me geen moeite. Ik leer elke dag meer over beeldende kunst. De eerste `gift' die ik zes jaar geleden hier binnenhaalde, kwam trouwens uit Nederland. De KPN ging naar de beurs en droeg flink bij aan de Mondriaan-tentoonstelling.

,,Een vol schip vaart niet met hoge snelheid de haven binnen. De relatie met `sponsors' en `trustees' bouw je langzaam op. Niemand komt naar ons toe en toch vind je ze soms dichterbij dan je denkt. Maar de concurrentie hier is enorm. Kleuterscholen, kerken, ziekenhuizen, universiteiten of andere musea: iedereen jaagt op hetzelfde. De wortels liggen in het Europese mecenaat van kerken en adel, de Amerikaanse pioniers voelden zich net zo verantwoordelijk voor het publieke domein en de burger van nu wil met schenkingen vooral zijn dankbaarheid tonen voor wat hij dankzij de staat heeft kunnen bereiken. Ik zou zelf ook méér willen geven, maar dat staat mijn salaris niet toe. Aangezien het merendeel van onze bezoekers en `vrienden' al van moderne kunst houdt, zal men het MoMA om alleen die reden niet begunstigen. Wij moeten dus hoge prestaties leveren en goede service bieden. Een ieder moet kunnen zien dat bijdragen goed worden besteed. En steeds weer zullen wij laten blijken hoe dankbaar we zijn.''

Aangezien de Nederlandse musea jaarlijks met belastinggeld worden ondersteund, kunnen overheden bij gebrekkig management een museumdirecteur op het matje roepen. In het MoMA moet Lowry zich keer op keer èn uitsluitend verantwoorden tegenover zijn bestuursleden, particulieren. Falen betekent onmiddellijk ontslag. Sponsors willen hun naam niet verbinden aan een gammel instituut. Elke Trustee acht dat ontoelaatbaar. Want diens status is nauw met het museum verweven.

Vanwaar toch die sterke persoonlijke èn financiële betrokkenheid van zoveel Amerikaanse burgers bij het welvaren van hun museum? Goed, Amerika is zoveel groter, zoveel rijker, maar de museale sponsoring staat in geen verhouding tot die van Nederlanders. Zij laten de zorg voor het cultureel erfgoed aan de overheid over, die in Amerika aanzienlijk minder zorgzaam is. Het Prins Bernhardfonds verwelkomt weliswaar steeds meer particulieren die een eigen, cultureel fonds op naam oprichten – per 1 januari 2001 zijn het er 110 –, maar de weldoeners van weleer met hun stichtingen en schenkingen in natura – Kröller-Müller, Van Beuningen, Boijmans, Van der Vorm, Regnault, Van Abbe, Fodor, Slijper – maakten plaats voor verborgen verzamelaars. Menig Nederlands museumdirecteur herkent in hen de concurrent, en niet de relatie die met het oog op toekomstige generositeit aangemoedigd en gekoesterd dient te worden, zoals in New York.

In Nederland voelen steenrijke particulieren en welvarende bedrijven zich blijkbaar niet geroepen om bijvoorbeeld met een groots gebaar een eind te maken aan het financiële gesteggel van de gemeente Amsterdam rond de uitbreiding van het Stedelijk Museum of rond de oprichting van een fotografie-museum, dat als particulier instituut – zie het uitzonderlijke Huis Marseille in Amsterdam – wèl grondig en snel uit de grond kan worden gestampt. Natuurlijk speelt in Amerika bij die private sponsors het belastingvoordeel mee. Maar, zoals een van de weldoeners zei: ,,Dat kan wel zo zijn, maar we geven dat geld toch maar mooi weg. We weten heus wel wat we er anders mee hadden kunnen doen.'' Als Anna Marie Shapiro gevraagd wordt naar het waarom van haar bijdragen, kijkt ze verbaasd op: ,,Ik weet niet beter of je bent trots op je stad. En wie het goed gaat, ervaart de druk van anderen om ook genereus te zijn. Datzelfde geldt binnen het MoMA waar men niet voor elkaar wil onderdoen.'' En een opknapbeurt van Central Park valt daar net zo goed onder, aldus Shapiro.

Mrs. MoMA

,,Wij hebben hier zoals in Europa geen koningshuis, geen adelstand, maar alleen maar eredoctoraten en hoogstaande bestuursfuncties zoals in het MoMA.'' Dat zegt Agnes Gund, alom betiteld als `Mrs. MoMA', `de vlag en de vlam van het instituut'. Dit jaar werd zij als president van alle `Committees' herkozen. ,,Zij is de koningin'', zegt een bestuurslid, ,,en wij behoren alleen maar tot de adel.'' Ze staat voor klasse, stabiliteit en degelijkheid, aldus een conservator.

Als Gund haar boordevolle agenda – van ontbijtbesprekingen tot cocktails met sponsors – laat zien, is het een logische vraag waarom een zo vermogende vrouw niet liever tuiniert. ,,Het is een eer om hier te dienen. U begrijpt het niet, we hebben alles voor het museum over. En iedereen die van moderne kunst houdt, gaat het ter harte. We organiseren nu een feest voor de erven van de schilder Odilon Redon. Zij schonken ons onlangs zoveel Redons, dat we in één klap de grootste collectie ter wereld hebben.''

Agnes Gund genoot in Cleveland een sobere opvoeding, zat op school bij Jacqueline Bouvier, maakte kennis met de jonge John F. Kennedy, en hoorde pas na de dood van haar vader dat het vermogen van haar eigen ouders zich kon meten met dat van die beroemdere families. ,,Op die privé-school kreeg ik les in kunstgeschiedenis, wat je op openbare scholen helaas niet krijgt. Vaak gingen we naar het Cleveland Museum en toen ik eenmaal zelf geld had, kocht ik in de jaren zestig al meteen werk van Mark Rothko, Willem de Kooning, Henry Moore. Veel is al weggeschonken. De rest wordt verdeeld over een musea of tien. Alleen de tekeningen gaan naar mijn dochter. Ik ben geen uitzondering, zestig procent van de Amerikanen die kunst bezitten, schenken hun bezit aan de gemeenschap.''

Gund pleit vooral voor educatie, voor de kunst van minderheden èn vooral van vrouwen. Namen worden gemeden, omdat daarmee een signaal naar de kunsthandel zou worden gegeven. ,,Vrouwelijke kunstenaars krijgen nog steeds minder geld voor hun werk en minder beurzen. En vrouwelijke architecten worden nog steeds genegeerd. `Vrouwen zijn geen investering als kunstenaar' hoorde ik pas nog iemand zeggen. Schandalig. Alleen al om die reden is het goed dat het MoMA een vrouw als `president' heeft.''

Gund richtte zelf Studio in School op, waarbij jaarlijks zo'n 30.000 kinderen op openbare New-Yorkse scholen – van 5 tot 18 – les krijgen in tekenen, schilderen en kunstgeschiedenis. ,,Men vergeet wel eens dat ook het MoMA is opgericht als educatief instituut. En dat het meteen serieus werd genomen, danken we aan de wijsheid van de oprichtsters om destijds een man aan te stellen als directeur.

,,Weet u, trouwens, dat we hier voor een half jaar buitenlandse conservatoren stationeren, dat er in de nieuwbouw een veel groter educatief centrum komt, dat er jaarlijks meer dan tweehonderd lezingen en tientallen `special events' worden georganiseerd, en dat we hier ook nog alle kunstenaars, opgenomen in de collectie of ooit tentoongesteld, traditiegetrouw elk half jaar voor een bijeenkomst uitnodigen? We kopen misschien hun werk niet meer, maar ze maken wèl deel uit van het museum.''

Gund vertelt verder. Hoe graag ze zich zou willen inspannen voor het New-Yorkse Studio Museum of Harlem, voor de kunst van `Afro-Americans'. Dat kan helaas niet, gezien de belangenverstrengeling. ,,De laatste tijd zet ik in het MoMA alles op alles om de Zuid-Amerikaanse kunst hoog op de agenda te krijgen. Na de muurschilderingen van de Mexicaan Diego Rivera uit de jaren vijftig is het collectioneren op dit gebied op een laag pitje gezet. We gaan de schade inhalen. Er gebeurt daar heel veel. Daarom is er speciaal voor Zuid-Amerika nu een conservator benoemd.''

Abrupt breekt ze het gesprek af, geeft haar jonge secretaris Jamie een seintje en stopt al pratend over haar kleinkinderen een dossier of twintig in een reusachtige tas. Beneden wacht haar chauffeur. ,,Hij komt uit Chili. Rijd u maar mee, ik moet eerst naar een opening in Soho en daarna, geloof het of niet, naar twee diners, om er namens het MoMA acte de présence te geven.''

In het museum nadert de sluiting. Het hoofd educatie dat 's morgens vroeg een vraaggesprek toestond, leidt de laatste schoolklassen door de zalen. Net zo onzichtbaar als de honderd mensen die voor de beveiliging zorgen, blijven de mogelijke bezwaren die aan het museum als particuliere onderneming kleven. Daarover beginnen in het MoMA-bolwerk is tijdverspilling. Want klagen over feiten – de hoge eisen aan de staf, de afhankelijkheid van smaak en geld van derden – is alleen maar contraproductief. Men weet niet beter of men `verkoopt zijn product' naar beste kunnen. Directeur Lowry zei het al: alles en iedereen is erop gericht om `on top' te blijven. Dat is geen slogan, maar een noodzaak om als museum te overleven. De ongekende inzet en de betrokkenheid van staf en particulieren zijn simpelweg de onmisbare voorwaarden om ook de volgende zeventig jaar een `palace of pleasure' te blijven, zoals het MoMA kort na zijn oprichting al werd genoemd.