Zwerftocht door de Sinaï

De Sinaï is om veel redenen een historische plek. Het volk Israël trok er veertig jaar rond voordat het neerstreek in het beloofde land. En na de geboorte van Jezus trokken Jozef en Maria door de Sinaï-woestijn naar Egypte, op de vlucht voor de moordzuchtige koning Herodes. Ook anno 2000 kun je er rondtrekken, bij voorkeur met een bedoeïen en een kameel.

In de derde maand, toen de kinderen van Israël waren vertrokken uit het land van Egypte, op die dag kwamen ze in de wildernis van de Sinai.' Zo beschrijft hoofdstuk 19 van Exodus de aankomst van de Israëlieten in de Sinaï-woestijn, waar de manna uit de hemel zou komen en Mozes de tien geboden kreeg. Veertig lange jaren zwierf het volk Israëls vervolgens door de Sinaï, op zoek naar het beloofde land.

Wij besloten het rustiger aan te doen en onze wandeltocht te beperken tot drieëneenhalve dag. Maar anders dan het volk Israëls verdwaalden wij geen moment en arriveerden keurig weer op de plaats waar we begonnen waren, het bedoeïenenkamp Saffa.

Wat hadden wij wel wat de Israëlieten niet hadden?

Wij hadden een bedoeïen, genaamd Awwad.

Zo'n bedoeïen is cruciaal. De kameel die hij bij zich heeft is ook belangrijk, omdat deze tijdens het wandelen overdag de slaapmatjes en -zakken, kookgerei, water- en voedselvoorraad draagt. Maar de bedoeïen is van levensbelang, letterlijk. Nadat de Israëlieten het beloofde land hadden gevonden, kwamen hun verre nazaten in de oorlog van 1967 met Egypte namelijk terug; en plempten de hele Sinaï-woestijn vol mijnen. Het Israëlische leger is inmiddels vertrokken en het schiereiland Sinaï valt nu onder Egypte, maar nog steeds vliegt jaarlijks een handvol onvoorzichtige toeristen of Egyptenaren de lucht in.

Onze Awwad was een schot in de roos. Een echte bedoeïen, geen praatjesmakende Egyptenaar uit de Nijldelta die bij ieder adembenemend vergezicht je aanstoot en zegt: ,,Beautiful. You like? I take picture.''

Wat een feest om weer eens een Arabier te treffen die zijn kameel behandelt met respect. Awwads kameel luistert dan ook niet naar namen als Ali Baba, Titanic of Pepsi Cola – zoals bij de pyramiden in Kairo – maar naar het authentieke Sjoe'alaan, en Awwad zorgt beter voor het beest dan voor zichzelf. ,,Ik heb hem direct na zijn geboorte opgevoed'', vertelt hij als hij na anderhalve dag wat loskomt. ,,De eerste jaren mag er niemand op de kameel rijden behalve ik, anders raakt hij in verwarring, en loopt hij weg. Dan verwildert de kameel.'' Nu is er duidelijk vertrouwen tussen de twee, als Awwad moe is van het wandelen en een tijdje op Sjoe'alaan wil rijden, hoeft hij maar een tikje in de nek te geven en het beest gaat door de knieën. Bij het beladen elke morgen geeft Sjoe'alaan met briesen en snuiven aan of alles evenwichtig is verdeeld. Awwad staat op: ,,Ik moet nu takken verzamelen voor Sjoe'alaan, hij heeft honger.'' Hij staat op, ordent z'n jurk en zegt dan: ,,Sjoe'alaan heeft altijd honger. 'sMorgens vroeg, 's avonds laat altijd eten.''

Het is moeilijk te beschrijven hoe fantastisch wandelen door de Sinaï is zonder te vervallen in reisgidsen-speak. Laat gezegd zijn dat na een paar uur afwisselend ploeteren door het zand van droge rivierbeddingen (wadi's) en klauteren lange de ruige rotsen een geluksgevoel bijna niet valt te onderdrukken. De hele dag alleen natuurlijke geuren en kleuren, geen mens tegenkomen, om je oren alleen het geluid van de wind (en die vermaledijde vliegen).

De eerste dag eindigden we in de oase van Ayn Hudra, een groene stip in een geel-rood-beige wildernis. Awwad kookt bonen uit blik met rijst, en zet thee. Elektriciteit is er niet in Ayn Hudra en de zon gaat om vijf uur onder. Gelukkig is er de kraakheldere hemel om eindeloos naar te turen. Omdat de Sinaï redelijk dicht bij de evenaar ligt, leggen de sterren een heel parcours af. Om zes uur hebben we gegeten en kijken we elkaar aan: wat nu? Niets dus. Een maatje van Awwad komt langs om samen grapjes te maken ten koste van Egyptenaren uit de Nijldelta:

`al-ard dhahab

al-niswan agab

al-rigal ulal al-adab'

,,Hun land is van goud, de vrouwen bevallig, maar de mannen zijn ongelikt'', rijmen ze. De bedoeïenen zien zichzelf als Arabieren en luisteren naar Saoedische muziek en radio. ,,Egyptenaren zijn geen echte kerels. Ze eten met een lepel'', zegt Awwad afkeurend.

Terwijl een gure wind opsteekt, valt de stilte over de oase. Zonder zweverig te worden: als je het moderne leven ziet als het streven naar altijd meer keuzemogelijkheden, dan is het opmerkelijk hoe rustig je wordt als er in het geheel geen keuzes zijn.

De volgende morgen beseffen we trouwens wel hoe die Israëlieten moeten hebben gestonken, na veertig jaar in de Sinaï zonder tandpasta, toiletpapier, muggenzalf, pleisters, nivea, desinfecterende gel, zonnebrandolie of lenzenvloeistof – om maar eens een greep in onze (voor deze reis nog uitgedunde) toilettas te doen. Zelf verwilder je op zo'n reis ook verbazend snel. Zo deed het mij na een dag al niets meer dat de pan waarin Awwad 's avonds spaghetti of rijst kookte, overdag dienst deed als waterbak voor Sjoe'alaan. Ondanks het zand mis je een douche en zelfs een toilet nauwelijks meer, op een of andere manier passen dergelijke rituelen van moderne hygiëne niet in het landschap van de Sinaï. Zelfs de keiharde ondergrond bij het slapen went, hoewel nooit helemaal.

De tweede dag daarop eindigen we in Wadi Ghazali, waar een Nederlandse groep van een `avontuurlijk' reisbureau net een puinhoop van blikjes, batterijen en ander afval heeft achtergelaten. ,,Mensen daar steeds maar op aanspreken is slecht voor de sfeer in de groep'', legt de vriendin van de Egyptische reisleider uit. Iets verderop in Wadi Ghazala woont ook de moeder van Awwad, die daar schapen hoedt. Haar man woont in Dahab, met een televisie, ijskast en een auto. Niks gedaan, schudt Awwad. ,,Daar ligt heel veel plastic op de grond, daar gaan de schapen dood van. En er zijn overal Egyptenaren.'' Sinds de terugtrekking van Israël heeft Kairo de bedoeïenen in hoog tempo onteigend, om aan de kust eindeloze rijen vakantieparken aan te leggen. De meeste bedoeïenen zeggen openlijk dat ze het onder de Israëliërs beter hadden dan nu.

De derde en laatste avond van onze reis betrekt opeens Awwads gezicht. ,,Sjoe'alaan mabsut'', zegt hij bezorgd, Sjoe'alaan is gelukkig. Awwad wijst naar asgrauwe wolken aan de hemel. Aan de horizon zien we nu bliksemschichten, zo ver weg dat de donder niet te horen is. Nog niet. Als een bezetene begint Awwad zijn en onze spullen naar een hoger gelegen rotsrand bij de wadi te slepen. Vanaf een nog hoger gelegen punt ziet Sjoe'alaan ons paniekerig gesleep met een geamuseerde en gelukkige blik aan; regen betekent morgen sappige blaadjes aan nu nog dorre planten.

Awwad is werkelijk nerveus. Ieder jaar worden bij overvloedige regenval in de Sinaï wel een paar mensen en dieren in dodelijke modderstromen meegesleurd. ,,De kamelen zijn slim'', vertelt hij nadat hij als laatste zijn eigen deken en zadel in veiligheid heeft gebracht, ,,die gaan op tijd naar boven. Ezels niet. Die merken niets en blijven gewoon tot het laatste moment in de wadi staan.''

Die nacht blijkt de regen beperkt te blijven tot een paar druppels – een opluchting voor ons, beroerd voor Sjoe'alaan. In het begin van de middag keren we terug naar de beschaafde wereld. Even deden de toeterende auto's, stinkende uitlaatgassen en schreeuwende mensen felle pijn aan onze ogen, oren en luchtwegen. Maar na een halve dag waren we er weer aan gewend, ontnuchterend veel sneller dan onder de palmbomen van Ayn Hudra en de kraakheldere sterrenhemel ooit denkbaar leek.