Nooit geen rode rozen meer

De simpelheid waarmee het levenslied vroeger de schaduwzijde van het leven schetste, komt niet meer terug. ,,We zijn te wijs geworden.''

TOEN WIJ VAN ROTTERDAM vertrokken, begon er een levenslied van jewelste. Alle ingrediënten die dit genre behoeft, zijn in het beroemde Ketelbinkie aanwezig. Het gaat over een kleine jongen die nooit eerder op zee is geweest, niet eens zijn moeder durfde te zoenen bij het afscheid en aan boord allengs verandert in ,,een brokkie wanhoop''. Als hij een voorschot vraagt, is het voor zijn arme moeder. Maar hij zal haar nooit meer terugzien; zijn levenloze lichaam wordt met een ,,één-twee-drie-in-godsnaam'' overboord gezet. Het gruizige belcanto van de zanger, de vele zeemanstermen en het droevige accordeonwalsje doen de rest. En zelfs de verkeerde klemtoon die zo'n tekst een onbeholpen soort echtheid geeft – hoe professioneel die verder ook is geschreven – ontbreekt hier niet. Sterker nog: die zit nadrukkelijk in het refrein. Tot drie keer toe wordt hij bezongen, de straatjong-ùùùùn uit Rotterdam.

Vaak wordt die eerste regel van het lied verkeerd gezongen. ,,Toen wij uit Rotterdam vertrokken'' is fout. In zijn bundel Van Roodeschool tot Rijsel wees Willem Wilmink er al op dat er een groot verschil bestaat tussen het vertrek van of het vertrek uit een stad: ,,Wie uit een stad vertrekt, laat er iets achter, iets dierbaars wellicht. Zeg je dat je van een stad vertrekt, dan noem je alleen maar je startpunt en kan de stad als zodanig je onverschillig laten.'' Zo'n joch als Ketelbinkie, in 1940 geschapen door tekstdichter Anton Beuving en componist Jan Vogel, moest natuurlijk van Rotterdam vertrekken – hij poogde zich immers te gedragen als een onsentimentele zeeman, voor wie de plaats van vertrek niet meer dan een geografische bepaling behoort te zijn. De tekst van Ketelbinkie is zo neutraal mogelijk geschreven, alsof er een passage uit het logboek wordt voorgedragen. Wij, de luisteraars, vullen het drama in.

Het levenslied schetst in schrille tinten een treurig lot. Impliciet komt het daartegen in het geweer, maar nooit met zoveel woorden. Het protestlied roept op tot verzet tegen deze of gene wantoestand, het levenslied beperkt zich tot het beschrijven ervan.

Ketelbinkie kan worden opgevat ,,als een aanklacht tegen de kinderarbeid in de stoomvaart van weleer'', schreef de kleinkunstminnende psycholoog Ben Leenders in het vakblad Sketch, maar noodzakelijk is dat niet. Men kan ook eenvoudigweg een traantje wegpinken over dit ene zielige geval aan boord van de Edam, ,,met kakkerlakken in de midscheeps en rattennesten in 't vooruit'', zonder meteen de hele zeevaart als een asociale bedrijfstak te zien. Tranen belemmeren nu eenmaal het uitzicht. Wie zit te snotteren, heeft meestal geen helder wereldbeeld meer.

Eigenlijk is levenslied een wonderlijk woord. Het suggereert dat het over het leven gaat, maar in de praktijk belicht het slechts één aspect: de schaduwzijde. Een vrolijk nummertje waarin het leven wordt beschreven als een aaneenschakeling van zang en dans, wordt nimmer tot de levensliederen gerekend. Het is weliswaar uit het leven gegrepen, maar het mag nooit over de zonzijde gaan. De door Willy Alberti als een wilde orchidee bezongen vrouw, ,,die slechts van de zonzijde leeft'', deugde niet. Misschien zag zij zelf geen enkel kwaad in haar levenswandel, maar de zanger wist wel beter – hij had zich deerlijk in haar vergist. Hij moest niets meer van haar hebben.

Natuurlijk gaat de geschiedenis van het levenslied ver terug. Wie zich niet te zeer door starre definities laat belemmeren, kan er eeuwenoude voorbeelden van vinden. Willem Wilmink herkende de trekken van een smartlap in de middeleeuwse ballade ,,Het waren twee koningskinderen / zy hadden malkander zoo lief...''

Maar de smartlap is gemakkelijker te definiëren dan het levenslied. De smartlap is een verhaal met een kop en een staart, dat slecht afloopt. Er zijn dan ook al duizenden parodieën op gemaakt. De smartlap is een levenslied, maar het levenslied behoeft geen smartlap te zijn. Het kan ook een gevoel vertolken zonder een specifiek verhaaltje te vertellen. Het kan over het broekie van Jantje gaan (,,jouw billen die zien we d'r deur!''), maar het kan ook het beeld oproepen van de werkloze handen, die bij ,,een man in de kracht van zijn jaren'' in de schoot liggen omdat er tijdens een economische crisis geen werk is. Het kan vertellen van een jochie dat met een vlieger een briefje naar zijn moeder in de hemel wil sturen, maar het kan ook de eenzame kerst beschrijven van een man in de cel (,,ik voel mij als een kerstboom zonder piek'').

In de jaren twintig en dertig van de twintigste eeuw groeide en bloeide het genre. De opkomende amusementsindustrie zorgde voor massale verspreiding. In de jaren zestig wist Johnny Hoes, mede dankzij de door hem ontdekte Zangeres zonder Naam, een tweede golf op gang te brengen. Ook in zijn boezem huisden de twee zielen, die in deze sector succes leken te verzekeren: hij was slim en sentimenteel tegelijk.

Maar sinds de gloriejaren van Hoes is het met het levenslied ontegenzeggelijk bergafwaarts gegaan. Er zijn nog maar weinig liedjesmakers over, die in volle ernst de grammatica kunnen tarten zoals hun voorgangers dat hebben gedaan. Er wordt zelden meer geschreven dat er op een zeemansgraf ,,nooit geen rode rozen'' staan, zoals Johnny Hoes ooit deed. Nog altijd is er de wens om een gevoelige snaar te raken, maar de eenvoud van vroeger is nauwelijks meer te vinden.

De huidige hang naar deze hapklare emoties is dan ook voornamelijk gebaseerd op oud repertoire en kan niet zonder ironie, hoe serieus er ook gezongen lijkt te worden. We doen alsof, want we weten wel beter. Wij staan erboven – en omdat daarover geen misverstanden meer kunnen bestaan, heffen we onbekommerd zo'n lekkere treurdeun van vroeger aan.

In werkelijkheid zijn we het levenslied echter goeddeels ontgroeid. ,,We zijn te wijs geworden'', schreef de deskundige Ben Leenders. ,,Tekstdichters vervaardigen de ene prachttekst na de andere, de componisten overschrijden het vijf-akkoordenschema uit onze kindertijd. Onze enige troost zit in het oude werk.''

En zo is het.