Maretak op een bemoste schouder

De eerste klap is een daalder waard, moeten de ontwerpers gedacht hebben bij het planten van arboretum Belmonte in Wageningen, nu bijna vijftig jaar geleden. Want de eerste boom, een paar meter na de ingang, is een doorgroefd exemplaar van de bekende sierappel `Professor Sprenger' die met zijn bemoste, hangende schouders een bijna menselijke indruk maakt. Maar nu komt het: op de kromme takken groeit een maretak, een halfparasiet die je in het Zuid-Limburgse heuvellandschap nogal eens tegenkomt, daar meestal groeiend op populieren, maar die ten noorden van Maastricht nauwelijks voorkomt. Alleen al om die maretak is Belmonte de moeite waard.

Een arboretum is een bomenverzameling en het voordeel van een bezoek in de wintermaanden is drievoudig. Om te beginnen zou 's zomers de maretak grotendeels tussen het blad van zijn gastheer schuilgaan. Nu hangt hij als een grote, groene bol aan de kale takken. Ten tweede tonen bomen 's winters hun ware karakter, waardoor je ze ook zonder botanische kennis na enige oefening aan hun silhouet leert kennen. De meidoorn is laag, breed en warrig van groei, alsof de takken maar wat aanrommelen. De beuk heft de takken ten hemel – niet in wanhoop, maar veeleer jubelend. De acacia (die we, zoals schoolmeester W.F. Hermans ons al lang geleden heeft uitgelegd, eigenlijk Robinia zouden moeten noemen) vormt bij het ouder worden op de stam merkwaardige wratten, kloven en andere aangroeisels waardoor je heen en weer geslingerd wordt tussen afschuw en fascinatie. En ten slotte kun je 's winters in alle rust genieten, niet alleen van struiken en bomen, maar ook van vogels. Op weekdagen ben je vaak de enige gast. De groene specht zoekt ongestoord mieren in het mos en wintergasten als kramsvogels en koperwieken doen zich tegoed aan bottels en bessen.

Arboretum Belmonte bestaat nog niet zo lang, het is van na de oorlog, maar het park op de Wageningse Berg heeft wel degelijk een respectabele stamboom waarin namen van voormalige eigenaren als Van Lynden van Hemmen en De Constant Rebeque de Villars voorkomen. Nu is het eigendom van de Universiteit van Wageningen. De oorspronkelijke aanleg van het park is van een Zocher. De Zochers vormden ooit, in vroeger eeuwen, een dynastie van tuin- en landschapsarchitecten die meedreven op de toenmalige mode van de Engelse landschapstuin. Hun handelsmerk was het slingerpad.

Zoals alle botanische tuinen telt Belmonte een paar speerpunten, om maar eens een uitdrukking van de politici te lenen, plantengeslachten waaraan bijzondere aandacht wordt besteed. Zo'n speerpunt van het botanisch beleid van de Universiteit van Wageningen (die zichzelf uit onvrede over te weinig aanmeldingen sinds kort Wageningen Universiteit noemt – alsof dat zou helpen) is de collectie sierappels, Malus in het Latijn. Daarmee heeft niet alleen de wetenschapper, maar ook de tuinbezitter het getroffen, want de sierappel is nu juist een boompje dat bij uitstek geschikt is voor de kleine tuin. Bloesem in het voorjaar en vruchten in de herfst. Hier kun je zien hoe Malus `Butterball', met gele appeltjes, en Malus `Red Sentinel', met lakrode vruchten, hun appels in ieder geval tot Kerstmis vasthouden. Wie na de sierappels rechtsaf slaat, wandelt het geslacht Prunus binnen, met als hoogtepunt de sierkers Prunus malaheb, die eerst is omgevallen en daarna weer omhooggegroeid, zodat de boom nu een bemoste ereboog vormt. Er is geen wandelroute uitgezet, maar de mooiste wandeling volgt de contouren van het terrein, boven langs de steile rand van de stuwwal. Ook wie niet door bomen wordt geboeid, komt hier aan zijn trekken, met een onhollands uitzicht over de Nederrijn en de Betuwe, met beneden in de diepte het pontje van Lexkesveer en in de verte aan de horizon de heuvels van het Rijk van Nijmegen. Op een enkele hoogspanningsmast na is hier in de loop der eeuwen weinig veranderd en je kunt je voorstellen hoe Philips Koninck hier in de 17de eeuw zijn panoramische vergezichten schetste. Na de sierkersen is een volgend hoogtepunt de meidoorncollectie, het onwaarschijnlijk uitgebreide geslacht Crataegus, dat ooit, aan het begin van deze eeuw alleen al in Noord-Amerika bijna duizend soorten telde, maar nu gelukkig tot een paar honderd soorten is teruggebracht. Topstuk van deze verzameling is Crataegus pubescens, een paddestoel van een struik van twee meter hoog en acht meter breed. Dit is misschien wel de enige boom uit Mexico die in Nederland winterhard is. Even verder staat nog een allochtoon, Pyrus konoriana, een wilde peer uit Japan, nu in december nog steeds beladen met ronde, olijfgroene peren. De smaak valt tegen, maar te oordelen naar de knaagsporen aan de afgevallen vruchten zijn de konijnen er dol op. Voort gaat het pad, langs bloeiende elzen en toverhazelaars en treurende witte-moerbeiboompjes. Wie van rariteiten houdt, moet beslist de beuken in zijn route opnemen. Er groeit hier een gebochelde beuk die kronkelt als een zeeslang en de populaire kronkelhazelaar degradeert tot een meelijwekkende imitator.

Arboretum Belmonte, Generaal Foulkesweg 94, Wageningen. Altijd geopend, gratis entree. Honden aangelijnd. De NS-wandelroute Belmonte leidt via het station Ede-Wageningen langs de rand van de Wageningse Berg via Belmonte naar Wageningen.

De Stichting Vrienden van het Arboretum te Wageningen geeft tweemaal per jaar een bulletin uit met bijzonderheden over het park.

Donateurschap minimaal ƒ10 per jaar. Adres: Postbus 8010, 6700 ED, Wageningen.

Inl 08370-83160.