Heilige botten, verpakt in schoonheid

Wie hier binnenkomt, gaat meteen door de knieën. De Nieuwe Kerk in Amsterdam is getransformeerd tot de wachtkamer van het hemelrijk. Ramen verduisterd, ijl blauw licht in de gewelven, olijfgroene, oplopende wanden, en niet al te veel glazen vitrines, met het goud, zilver, bergkristal en ivoor dat vorst en volk vanuit het aardse tranendal op weg hielp naar het Rijk Gods.

Henk van Os, oud-directeur van het Rijksmuseum, kreeg van Boston tot Sint Petersburg de eeuwenoude reliekhouders los die, naar zijn zeggen, als kunstnijverheid volstrekt ten onrechte kunsthistorisch ondergewaardeerd bleven. ,,In feite waren ze door hun lading de belangrijkste objecten van de middeleeuwen. Zoals ook het kijken naar relieken de meest gevulde manier van kijken was.''

Vier jaar lang werkte hij aan zowel deze tweedelige tentoonstelling - ook in het Catharijneconvent in Utrecht - als aan het zeer toegankelijke boek: over de keizerin Helena, moeder van de Romeinse Constantijn I, die in de vierde eeuw met een spijker als souvenir van het kruis van Golgotha de reliek in Europa introduceerde; over de middeleeuwse vorsten die elkaar voor de gele voortand van een apostel te lijf gingen; over de lange reeks standvastige gelovigen – geroosterd, onthoofd, gevierendeeld – die als tastbare heiligen eeuwen voortleefden, omdat een stad of kerk hun schedel, botten, haren of nagels wist te bemachtigen. Zinvolle investeringen voor de toeristenindustrie, want het volk trok massaal naar de reliekschrijnen in de kerken van Rome, Aken, Trier, Osnabrück en vooral Keulen. En elke herbergier zag ze graag komen.

Ging het de pelgrim vooral om de inhoud, de tentoonstellingen van nu draaien om de vorm. Om de inventiviteit van de middeleeuwse edelsmid die net als de schilder, in opdracht van de kerk nu eenmaal alles uit de kast haalde ter meerdere glorie van de Almachtige. Dat een doekje of een druppel bloed kon genezen, kon beschermen tegen pest en plundering, en je bovendien een hemelstoel kon bezorgen, geloven nog weinig westerlingen. Maar zwichten voor de ambachtelijke schoonheid van de verpakking blijkt een sinecure te zijn.

Het eerste en het laatste stuk in de Nieuwe Kerk zijn daar mooie voorbeelden van: een gouden, 11de-eeuws kruis uit het Rijngebied, bezaaid met parels, gemmen en email, en een drieluik uit Mechelen, waar twee 16de-eeuwse nonnen, terzijde in verf geportretteerd, eindeloos aan knutselden met bloemetjes van ijzerdraad, kraaltjes en pelgrimssouvenirs. Daartussen staan tientallen prachtvolle voorwerpen opgesteld: een 13de-eeuws, emaille kistje uit Limoges, duizend jaar oude, vergulde schrijnen, kerk-miniaturen met filigraan en de `levensechte', zilveren bustes van heiligen, met relieken onder het schedeldak.

Innemend is de heilige Laurentius, uit het Louvre. Een verguld beeldje van een centimeter of twintig, dat laat zien hoe de zorgzame diaken, brandend op een grill, de gelovige troost bood door hem een stukje vingerbot voor te houden. Nog curieuzer is een 15de-eeuws flesje van bergkristal met een onzichtbaar spoor van de heilige Maria Magdalena. Eenmaal geplaatst in een verguld montuur kreeg het de vorm van een visje. Maar omdat visjes zelden rechtop kunnen staan, zette de edelsmid er Jeroen Bosch-achtige insectenpootjes onder.

Weken geleden liet Van Os me in Oldenzaal zien hoe daar de buste van de 8ste-eeuwse bisschop Plechelmus in diens schemerige basiliek de kerkgangers opwacht. Nog steeds draagt hij de gouden ringen die dankbare burgers hem schonken. Bij uitzondering gaf Oldenzaal `zijn' Plechelmus in bruikleen aan het Catharijneconvent, waar in een meer bescheiden vormgeving, eveneens van Wim Crouwel, de reliekverering van de Lage Landen aan bod komt: van een 13de-eeuws zijden reliekenbeursje tot en met de echtheidsverklaringen, die vanaf de 16de eeuw een eind moesten maken aan de dolgedraaide handel in bot-, stof- en zandresten.

Net als in de Nieuwe Kerk kan men zich met enige empathie nog het meest identiciferen met de ongeletterde gelovige van weleer als de houder, net als de brandende Laurentius, `menselijk' lijkt. Zoals een moeder met kind, een beeldschone, zilveren Madonna, die pronkte met Jezus èn met het reliekje dat hij in zijn buikje verstopte. Of zoals de uit notenhout gesneden, olijk kijkende maagden, die samen met de heilige Ursula in de 5de eeuw bij Keulen werden vermoord. De latere ontdekking van een grafveld – met wel 11.000 `maagden' – zou een ware botten-`hype' langs de Rijn veroorzaken. En dan waren er nog de realistische reliekarmen, van rijkelijk versierd zilver, die inderdaad soms brokken arm van de martelaren bevatten. Relevant aan deze `ledematen als schrijnen' was vooral de machtige, zegenende hand die uit de mouw omhoog stak.

Van Os completeerde beide tentoonstellingen met schilderijen, een 15de-eeuwse aflaatbrief en met de mooie, Koptische doek waarmee ooit de heilige Cunera in Rhenen werd gewurgd. In de kapellen van Nieuwe Kerk worden nog enkele boeddhistische en Papoea-sculpturen tentoongesteld. De treffende overeenkomst tussen de voorouder-schedels die de Papoea's in hun houten beelden verwerkten, en de sacrale schedels uit Europa maakt nieuwsgierig naar méér tastbare parallellen tussen `heidens bijgeloof' en christendom.

De enige Fremdkörper in de Nieuwe Kerk blijft de installatie (1988) van de Franse kunstenaar Christian Boltanski: bijgelichte foto's van misdadigers en slachtoffers, vergezeld van stapeltjes witte doeken. Van Os ziet ze als herinneringsbeelden, geënsceneerd als bij de reliekverering. Inmiddels weet je als leek niet beter of de uitstraling van de relieken èn hun houders ging veel verder dan de `vage vermoedens' van Boltanski. De middeleeuwer ontleende er zijn complete ziel en zaligheid aan. En die magie komt nu veelvormig en overtuigend tot zijn recht.

Tentoonstellingen: De Weg naar de Hemel. T/m 22/4. De Nieuwe Kerk, Dam, Amsterdam; dagelijks 10-18 uur, do 22 uur, Eerste Kerstdag en Nieuwjaarsdag gesloten. Museum Catharijneconvent, Lange Nieuwstraat 38, Utrecht; di t/m vr 10-17 uur, za, zo en feestdagen 11-17 uur. Met Kerst open. Catalogus: ƒ 49,50.