Dienaar van de jazz

Iedere Nederlandse jazzfan kende zijn naam, maar bijna niemand had hem ooit zien spelen toen hij in 1991 op het North Sea Jazz Festival optrad. Contrabassist Milt Hinton was liever dienaar dan koning, en keek liever zelf dan hij werd bekeken. Afgelopen woensdag overleed hij in New York City op 90-jarige leeftijd.

Na freelance werk bij onder meer Zutty Singleton, Jabbo Smith en Art Tatum trad Hinton in 1936 in dienst van het orkest van crooner Cab Calloway dat hij met zijn robuuste toon en stuwende ritmiek vijftien jaar bleef ondersteunen. In de schaarse tijd die hem restte was hij beschikbaar voor studio-gigs met bijna alle grote namen onder wie Benny Goodman, Coleman Hawkins en Billie Holiday. In 1951 vestigde hij zich in NYC en werd daar, vaak met zijn `buddy' drummer Osie Johnson, de meest gevraagde freelancer voor iedereen die haast had.

Voor informele jazzplaten, vlotte jingles, soundtracks, radio- en tv-shows; zocht men iemand, dan vond men Hinton. Ook voor toernees was hij soms beschikbaar onder meer met Bing Crosby en Louis Armstrong. Zijn eerste plaat op zijn eigen naam maakte hij pas in 1977 toen hij officieel al met pensioen was, later gevolgd door Old Man Time met onder meer Dizzy Gillespie en Laughin at Life uit 1995. Parallel aan zijn muzikantencarrière ontpopte Hinton zich als een verwoed fotograaf. Hij maakte bijna zestigduizend foto's, vooral van collegae musici, in studio's, `on the road' en tijdens concerten. In 1988 verscheen zijn fotoboek Bass Line, drie jaar later gevolgd door OverTime. De geprezen tv-documentaire A Great in Harlem uit 1994 steunde voor een groot deel op zijn werk. Hinton ontving een zak vol onderscheidingen en toen hij in juni 2000 negentig werd, speelden twintig bassisten zijn herkenningsmelodie `Old Man Time'. Voor Hinton gold voor alles één professionele regel: met zette de vingertop op het juiste moment op de daarvoor bestemde plaats.