De stoel van Arends

In de donkere avond van 21 januari 1974, op de dag dat zijn dichtbundel Lunchpauzegedichten het licht zag, sprong Jan Arends uit het raam van zijn kamer aan het Roelof Hartplein in Amsterdam.

De kranten besteedden ruim aandacht aan zijn zelfmoord. Jan Arends had behalve met zijn gedichten indruk gemaakt met de verhalenbundel Keefman (1972). Het titelverhaal is een meeslepende monoloog vol verwijt en grimmige humor van een psychiatrische patiënt. Dit autobiografische verhaal schreef Arends aanvankelijk voor het personeelsblad De Stethoscoop (juni 1971) van de Willem Arntsz Stichting, waar hij bij herhaling werd opgenomen op de P-afdeling.

De gekte van iemand is in het algemeen niet te verklaren. Wel is zijn gedrag te beschrijven in de obsessies die hem typeren en die hem, om met Arends te spreken, tekenen. Want Jan Arends was vanaf zijn geboorte `getekend' als onwettig kind, omdat zijn vader hem nooit heeft erkend.

In zijn verhalen en gedichten speelt de geboorte- of verjaardag een bepalende rol. Het treurige beeld van een lege versierde stoel keert terug als illustratie bij verhalen (Het ontbijt) of als omslag voor een bundel (Keefman als pocket).

Een half jaar voor zijn dood kreeg Arends landelijke bekendheid met zijn optreden in het VPRO-televisieprogramma `Het Gat van Nederland'. Met glinsterend-zwarte ogen en satanisch genoegen vertelde hij over zijn treiterende praktijken als kok-huisknecht bij rijke `wijven'.

Tussen de witte muren van zijn vrijgezellenkamer las hij enkele gedichten voor, met hoog-Haagse dictie: `Ja ik weet zeker/ dat er morgen/ weer een bloedende teef/ uit mijn keel/ zal kruipen.' En het gedicht dat eindigt met de strofe: `Mijn dag verstrijkt/ in regelmaat van schande./ Ik ben een arme man/ en alle leven doet mij zeer.' Op de achtergrond schemerde door de dunne gordijnen de zwarte leegte, waarin hij enkele maanden later zou verdwijnen.

Na zijn dood bleek iedereen in Amsterdam hem te hebben gekend. Op afstand, want Jan Arends was een lastige en eenzame man. Familie had hij niet.

Tot Ruud Arensen in 1974 in de krant las dat Jan Arends was overleden: ,,Dat is mijn half-broer'', had hij verbaasd tegen zijn vrouw uitgeroepen. Met de ontdekking van de halfbroer van Jan Arends leek de toegang tot diens duistere verleden ontsloten. Maar meer dan enkele jeugdfoto's van Arends leverde de kennismaking niet op.

Deze herfst reisde ik naar Deventer om Ruud Arensen te ontmoeten. Op een zonnig plein aan de voet van de Lebuïnus-kerk namen wij plaats aan een terrastafeltje. ,,Jan Arends en ik hadden dezelfde moeder, Gerardina Elisabeth Arends'', vertelde de halfbroer. ,,Maar wie de vader was van Jan Arends, dat weet niemand. Toen ik anderhalf jaar oud was, kwam ik in een pleeggezin terecht. Arensen is de naam van mijn vader, die niet de vader is van Jan.''

Ruud belandde later bij een ander pleeggezin, in Breda. De man des huizes was C.J. van Galen. Jan Arends kwam er wel eens op bezoek. In 1948 ontstond er in huize Van Galen een knallende ruzie met Jan: ,,De volgende dag kwam hij zijn excuses aanbieden. Daarna heb ik hem nooit meer gezien.''

Ruud praat over de dood van Jan Arends: ,,Uitgever Geert Lubberhuizen vroeg of ik nog wat spullen van Jan uit zijn flat wilde komen ophalen: een ijskast, een tafel en een stoel.'' Het woord ijskast brengt een andere obsessie van Arends in herinnering: `ijskastbeestjes'. Aan de tafel zat hij te typen. In duizenden gedichten heeft hij met harde tikken op de toetsen van zijn Adler typemachine zijn leed op het papier geramd.

Het enige wat Ruud Arensen nog heeft is de stoel. De rotan stoel waarin Arends zit tijdens het vraaggesprek in Het Gat van Nederland. Een literair objet humain voor het Letterkundig Museum in Den Haag. Wij zien de stoel van Jan Arends er al staan. Ernaast op de muur een citaat uit Keefman: ,,Eerst zijn stoel versieren en dan zeggen dat hij stinkt en hem kwaadschiks in het bad stoppen.''