De ontlasting van Nederland

Veel Nederlanders kunnen het maar moeilijk geloven. Toch is het waar. Het collectieve-lastenpeil is in het afgelopen decennium fors gedaald. Begin jaren negentig van de vorige eeuw roomden fiscus en uitvoeringsinstanties van de sociale verzekeringen nog 47,5 cent van elke in ons land verdiende gulden af. Mede door de belastingherziening die komende maand haar beslag krijgt daalt het collectieve-lastenpeil volgend jaar tot 39,6 procent van het bruto binnenlands product. Dus een lastenverlichting met in totaal acht procentpunten in nog geen tien jaar tijd! Inmiddels ligt het lastenpeil in Nederland als gevolg van de terugtred van de fiscus duidelijk beneden het gemiddelde in de Europese Unie.

Daar komt nog iets bij. Anders dan in de meeste andere landen betalen ook werklozen, arbeidsongeschikten en mensen met een ouderdomspensioen hier belasting en sociale premies over hun uitkering (bejaarden hoeven echter geen AOW-premie te voldoen). Samen dragen de economisch niet actieven 5 tot 6 procent van het bruto product aan collectieve lasten af. Wordt hiervoor gecorrigeerd om de lastendruk voor de actieven internationaal beter vergelijkbaar te maken, dan blijkt die voor ondernemers en werknemers in Nederland dus niet hoger te zijn dan ongeveer een derde van het bruto product. Dat is lager dan bijvoorbeeld bij de oosterburen, die de meeste uitkeringen onbelast laten en officieel een lastenpeil van 37 procent van het Duitse bruto product noteren.

De opvallende `ontlasting' van Nederland was mede mogelijk, doordat de uitgaven van de overheid en de sociale fondsen in verhouding sterk zijn gedaald. Zo is de minister van Financiën in verhouding veel minder kwijt aan rente op de staatsschuld. Door de sterke groei van de werkgelegenheid zijn ook vele miljarden minder voor uitkeringen nodig. Anders dan vaak wordt gedacht is niet beknibbeld op de salarissom van de ambtenaren en de overheidsaankopen bij bedrijven. Daarmee was tien jaar geleden ongeveer zestien procent van het bruto product gemoeid, en dat is nog steeds zo.

Toch zijn op dit moment waarschijnlijk nogal wat Nederlanders bereid een wat groter deel van hun inkomen aan de overheid af te staan om bepaalde knelpunten bij collectief gefinancierde voorzieningen te verhelpen. Wellicht zullen automobilisten in meerderheid een verhoging van de motorrijtuigenbelasting aanvaarden, mits de extra opbrengst dan ook echt wordt gebruikt om meer kilometers snelweg aan te leggen (niet dat die bypasses veel helpen om verkeersinfarcten te genezen, maar dat is een ander onderwerp). Veel ouders betalen nu al min of meer vrijwillig een fikse bijdrage aan de school van hun kinderen. Zij zouden in plaats daarvan ook wel belasting willen betalen, met als bijkomend voordeel – vanuit hun positie – dat ook mensen zonder kinderen extra bijdragen aan de financiering van het onderwijs. Het vermoeden lijkt gerechtvaardigd dat belastingen sneller worden geaccepteerd wanneer hun opbrengst volledig is bestemd om populaire voorzieningen te financieren.

Dit najaar publiceerde de Fabian Society, de oudste denktank van de Engelse Labour Party, het rapport Paying for Progress. Daarin wordt onder andere voorgesteld de National Health Service volledig uit een bestemmingsbelasting te gaan betalen. Volgens columnist Samuel Brittan in de Financial Times van 7 december jl. spruit dit voorstel voort uit opinieonderzoek dat suggereert dat mensen in beginsel bereid zijn meer te betalen voor met name gezondheidszorg en onderwijs, maar dat zij bijzonder bevreesd zijn dat lastenverhoging in het algemeen niet zal leiden tot werkelijke verbetering van de bewuste voorzieningen. De opstellers van het rapport willen daarom de band tussen betalen en genieten versterken. Dit maakt enerzijds de kosten van voorzieningen beter zichtbaar voor de kiezers. Het kan anderzijds de acceptatie van door de overheid opgelegde heffingen verbeteren, omdat kiezers waar voor hun geld krijgen.

Dit klinkt overtuigend, maar de praktijk is toch net even anders. In Nederland kennen we al een aantal van zulke bestemmingsbelastingen, met als meest aansprekende voorbeeld de premie voor het algemeen ouderdomspensioen. De AOW is een sociale uitkering van onovertroffen populariteit waarvan in verhouding weinig misbruik kan worden gemaakt. De uitkeringen worden volledig gefinancierd uit een jaarlijkse premie, opgebracht door mensen jonger dan 65 jaar. Toch roept de AOW-premie in het algemeen gesproken dezelfde gedragsreacties op als de inkomstenbelasting. Met wisselend succes proberen zelfstandigen en werknemers beide collectieve lasten op anderen af te wentelen door hun prijzen en looneisen op te schroeven. Met beide heffingen wordt evenveel gefraudeerd (omdat ze dezelfde grondslag hebben). Dit alles duidt niet direct op grotere acceptatie van doelheffingen.

Politici die een halt willen toeroepen aan de voortgaande daling van de collectieve lasten en de daarmee verbonden verschraling van sommige voorzieningen kunnen beter een andere strategie volgen dan belastingen rechtstreeks aan voorzieningen te koppelen. Zij dienen voldoende kiezers ervan te overtuigen dat de verzorgingsstaat inmiddels te veel is afgeslankt en dat extra voorzieningen een hogere belastingprijs meebrengen. Zoals het er nu naar uitziet, wordt dit dan ook het belangrijkste item bij de eerstvolgende Kamerverkiezingen.