Vijfenzeventig

Ze zit op een bank in de tuin van het bejaardenhuis. Dag in, dag uit, van de vroege lente tot de late herfst, behalve als het regent. Dan mag het niet.

We hebben een band, deze oude mevrouw en ik. We zwaaien en soms maken we een praatje. Af en toe over het weer, vaak over de tuin, altijd over haar zoon die morgen komt... en al jarenlang vertelt zij dat ze vijfenzeventig is. ,,Heel oud, kind.' Heel oud.

Vandaag is ze een beetje zenuwachtig. Ze is jarig! Vanochtend was er taart bij de koffie en morgen komt haar zoon. Hou oud ze geworden is? ,,Heel oud, kind. Vijfenzeventig.'

Bij het hek kijk ik nog eens om. Daar zit ze tussen de laatste bloeiende rozen. Voor altijd vijfenzeventig.