`Ik ben geen wandelende moppentrommel'

Joost Bellaart (49) treedt op 1 januari aan als bondscoach van de Nederlandse hockeyploeg. De coach van HCKZ geeft de komende vier jaar leiding aan een driemanschap.

Drie keer eerder was hij in dienst van de hockeybond. Maar pas bij de vierde keer, op een moment dat hij er zelf niet meer op had gerekend, heeft hij het laatste woord. Joost Bellaart, in het dagelijks leven zelfstandig marketing- en communicatiedeskundige, begint per 1 januari als bondscoach van de Nederlandse hockeyploeg. Als hoofd van een driemanschap, met verder trainer Michel van den Heuvel, dat de wereld- en olympisch kampioen van nieuw elan moet voorzien.

Het allerlaatste kunstje?

Bellaart: ,,Dat kan je zo stellen, ja. Ik was verrast toen ik een paar weken geleden werd gebeld. In mijn hart had ik me al verzoend met het afscheid als coach van KZ, nadat ik twee jaar terug als een Heintje Davids was teruggekeerd op het oude nest. Ties (voorzitter Kruize, red.) had nota bene al een bestuursfunctie voor me klaarliggen. Belt de bond ineens op. Na een paar gesprekken bleek het uiteindelijk heel moeilijk om `nee' te zeggen. Waarom? Simpel: dit elftal is nog niet uitgegeten en ik ook niet.''

Het verhaal gaat dat u een sfeermaker bent, een people's manager zoals vice-voorzitter Formsma het verwoordt. Klopt dat beeld?

,,Dat beeld dateert uit de periode dat ik manager was onder Hans Jorritsma. Hans en ik voelden en vulden elkaar perfect aan. Wat hij te weinig had, had ik te veel en andersom. Maar het gaat te ver mij af te schilderen als een wandelende moppentrommel. Een sfeermaker, daar kan ik mee leven. Sterker nog: dat beschouw ik als een compliment, want dat betekent dat ik voldoe aan een van de belangrijkste voorwaarden van topsport: kunnen omgaan met mensen.''

Wat zijn verder uw sterke en zwakke punten?

,,Om met dat laatste te beginnen: de komende weken zal ik een inhaalslag moeten maken, want mijn kennis van het moderne hockey, vooral op technisch/tactisch vlak, moet bijgespijkerd worden. Michel zal me daarbij helpen. Daarnaast is het zo dat ik in de coaching af en toe zeer emotioneel kan zijn. Ook dat is een punt van aandacht. Mijn sterke punt is het motiveren van mensen, zowel verbaal als non-verbaal. Wat niet wil zeggen dat ik op mijn kop ga staan of in de kleedkamer vogelnestjes ga maken. Maar wat telt is dat ik deze baan een eer vind, en dat gevoel hoop ik over te brengen op de spelers.''

Waarom heeft niet u, maar de bond uw begeleidingsteam samengesteld?

,,Het is niet zo dat zij hebben gezegd: `Hier Bellaart, met deze mensen moet je het doen en zoek het verder maar lekker uit'. Uit de gesprekken kwam al snel naar voren dat we op dezelfde lijn zaten. Michel van den Heuvel bleek zowel bij mij als bij de bond bovenaan het verlanglijstje te staan. Voor mij was hij zelfs een voorwaarde om `ja' te zeggen. Om de simpele reden dat hij zich de laatste jaren heeft bewezen als een vakman op technisch-tactisch terrein. Michel is analytisch sterk en bovendien bedachtzaam, en dat is wel zo prettig als je bedenkt dat ik de neiging heb om meteen te zeggen waar het op staat. In die zin vullen wij elkaar prima aan, op een manier zoals Hans Jorritsma en ik dat destijds ook deden. Dat moet ook wel, want ik kan het niet alleen.''

Een aantal hoofdklassecoaches heeft pittige kritiek op uw aanstelling. De keuze was een noodgreep.

,,Een beetje Nederlands, om meteen te roepen dat het niet deugt. Ik neem die kritiek met een korrel zout. Als de prestaties tegenvallen, mag mijn kop op het hakblok, eerder niet. Vanaf het moment dat Michel van den Heuvel en ik werden aangesteld, wist ik dat aan onze stoelpoten zou worden gezaagd. Misschien ben ik voor sommige collega's te recht door zee. Het heeft ook met afgunst te maken. Rancuneus ben ik niet. Ik besef ook dat ik met diezelfde coaches soms om de tafel moet.''

En toch: U zou `een keuze voor het verleden' zijn.

,,Niet om het een of ander, maar in 1981 was ik degene die samen met Roberto Tolentino een videoanalysesysteem heb opgezet dat vandaag de dag nog wordt gebruikt. Dit driemanschap beschouw ik juist als een stap vooruit, na al die successen van de afgelopen jaren. Om die te prolongeren, heeft de bond gekozen voor een professioneel model zoals in Amerika, waarbij de taken zijn verdeeld en overgedragen aan specialisten.''

Diezelfde critici menen dat het verleden heeft uitgewezen dat een driemanschap niet werkt.

,,Onzin, want dat is appels met peren vergelijken. In de periode 1984-'86 had ik het voorrecht om met Wim van Heumen te werken, samen met Cees Koppelaar. Van Heumen was de grootmeester van het Nederlandse hockey. Denk maar niet dat ik het ook maar één moment in mijn hoofd heb gehaald om te zeggen: `Wim, wat je nu doet, dat kan niet'. Met Hans Jorritsma en Frans Spits (1986, red.) was de afstand weliswaar minder groot, maar had Spits geen coachervaring. Ditmaal zijn de lijnen nog korter, hoewel de eindverantwoordelijkheid uiteindelijk bij mij ligt.''

Nog zo'n punt van kritiek: de huidige selectie is verwend, en juist daarom is een harde hand nodig.

,,Zachte heelmeesters maken stinkende wonden – die wijsheid gaat bij mij niet op. Bij KZ wordt spijkerhard getraind. Voor wie daaraan twijfelt, moet maar eens langskomen. Als de spelers het inderdaad voor het zeggen zouden hebben, dan stap ik morgen op. Waarmee ik niet gezegd wil hebben dat ik niet luister naar de spelers. Dat ze kunnen hockeyen, staat natuurlijk buiten kijf. Maar wij zien nog voldoende ruimte voor verbetering.''