Franse invloed in Europa is sterk aangetast

Heeft Frankrijk zich nu toch onuitstaanbaar gemaakt? Heeft onze politiek-bestuurlijke elite zich geleidelijk zozeer afgesloten van de internationale en Europese ontwikkelingen dat we niet meer in staat zijn een constructieve dialoog te voeren met onze partners van de Europese Unie en met name ook het contact met Berlijn hebben verloren? Het mislukken van de top in Nice, ofschoon dat niet door onze president en de regering wordt toegegeven, geeft reden tot nadenken. De stemming die heerste tijdens de top was afschuwelijk en er werden van alle kanten verwijten gemaakt aan het Franse voorzitterschap, dat werd gekwalificeerd als partijdig, kortzichtig en zonder Europese gedachte.

Dat was niet eerder voorgekomen in een Europese Raad sinds die in 1974 door Giscard d'Estaing werd geïnstitutionaliseerd. In de wandelgangen werden in Nice vreselijke nachten beleefd, waarin de kritiek van alle kanten kwam, op alle punten en met ongekende heftigheid. Een heftigheid van mensen die er genoeg van hebben slecht te worden behandeld door een van de hunnen van wie ze vinden dat die zich onterecht arrogant gedraagt.

Natuurlijk hebben de Fransen in de Europese vergaderzalen wel vaker ergernis gewekt met hun eeuwige meer of minder toepasselijke gaullistische discussies. Maar die gedragsafwijking werd altijd door de vingers gezien wegens de positieve bijdrage die de Fransen in Parijs of Brussel leverden aan de opbouw van Europa. Sinds de invoering van de euro – het meest recente gezamenlijke grote succes waaraan Frankrijk van 1988 tot 1998 veel heeft bijgedragen – is die tolerantie weggeëbd om plaats te maken voor irritatie. Deze irritatie is nu in Nice tot een uitbarsting gekomen.

De ergernis wordt gevoed door oude grieven die min of meer verdrongen waren, maar vooral ook door de vaststelling dat de keizer geen kleren aan heeft, dat Frankrijk, zoals het er nu bijstaat, niet zoveel macht heeft in Brussel, geen enkel gewicht heeft in het Europese Parlement in Straatsburg, verzwakt is in eigen land door de gedwongen samenwerking van een rechtse president en een linkse regering, en maand na maand ervan blijk geeft niet in staat te zijn op wat voor manier dan ook leiding te geven aan Europa. Die Zeit kopte met `Ooit was Frankrijk de motor van Europa' boven een kritisch artikel over onze leiders. Het zou goed zijn dat artikel te verspreiden.

Het verleden heeft uiteenlopende sporen achtergelaten. Zo hebben direct na de vorige misluke intergouvernementele conferentie (IGC) van juni 1997 in Amsterdam, de omstandigheden waaronder in maart in Berlijn de onderhandelingen werden gevoerd over de `Agenda 2000', zeker de wrevel van Duitsland opgeroepen. Het ging over de financiering van de EU over de periode van 2000 tot 2006, met in het achterhoofd de uitbreiding met landen van Midden-Europa, en daarmee samenhangend het versnellen van de hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en de vaste budgetten.

Duitsland, dat het voorzitterschap van de EU bekleedde, wilde zijn bijdrage aanzienlijk veminderen ten koste van het EU-budget (het verschil tussen wat het land inbrengt en wat het ontvangt) omdat het zijn bijdrage te hoog vond. Het was een oude eis die Gerhard Schröder heel bescheiden naar voren bracht zonder echt uit te zijn op onredelijk eigen voordeel. Wat hij deed leek in niets op wat Margaret Thatcher (`I want my money back') vijf jaar eerder had gedaan. Niettemin weigerde Frankrijk categorisch ook maar het kleinste gebaar. Om toch maar tot een akkoord te komen heeft toen de Duitse bondskanselier zich bij die weigering neergelegd. De zenuwachtige debatten die de vijftien EU-landen in Nice voerden over de gevolgen van de gekkekoeienziekte en de vooral aan Frankrijk gerichte waarschuwing van Schröder om de zaken financieel niet uit de hand te laten lopen, geven er blijk van dat die wond nog niet is geheeld.

Op de Europese top in 1999 in Berlijn heeft Jacques Chirac eveneens op het allerlaatste moment zijn eigen standpunt doorgedrukt over de hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Dat wil zeggen: zo min mogelijk hervormingen mogelijk maken. Het is een terugkerend probleem dat steeds moeilijker komt te liggen, namelijk dat onze partners het akelige gevoel hebben, dat het Franse beleid ten aanzien van de Europese landbouwpolitiek buitenproportioneel bepaald wordt door de almachtige voorzitter van de centrale agrarische vakbond in Frankrijk.

Nu in Nice, net als in 1999 in Berlijn en in Biarritz in oktober van dit jaar, waar Frankrijk voorzitter was, hebben diezelfde partners de Franse stijl van optreden maar matig kunnen waarderen, en met name het optreden van de voorzitter. Weliswaar staat hij bekend als een vriendelijke man, maar dat verhinderde hem niet om tijdens de laatste top de weerspannige Belgen te bruskeren en Romano Prodi, de voorzitter van de Europese Commissie, ongeïnteresseerd te behandelen. Erger nog, terwijl Frankrijk pleit voor een sterke Commissie, is door heel wat Franse ambtenaren uit Parijs in zeer agressieve en neerbuigende zin gesproken over die instelling, zozeer dat hun collega's in Brussel in een beschamende positie kwamen te verkeren. En over de kleine Europese landen wordt vaak niet beter gesproken, om maar te zwijgen over de kandidaatlanden.

Het ontbreekt de Fransen aan stijl, maar dat is uiteraard niet iets wezenlijk nieuws. Wat deze fouten zo onverdraaglijk maakt, is dat ze gepaard gaan met een waar intellectueel onvermogen. In mei heeft de rede van Joschka Fischer, de Duitse minister van Buitenlandse Zaken, op een heel geschikt moment de discussie over de toekomst van Europa op gang gebracht. Hubert Védrine, de Franse minister van Buitenlandse Zaken, leek even geïnteresseerd, maar werd toen afhoudend, want hij kreeg duidelijk weinig steun. De Franse regering gaf de indruk te twijfelen. Premier Lionel Jospin deed er het zwijgen toe en dat was voer voor degenen die menen dat de opbouw van Europa voor hem geen prioriteit is. Zover is het nu gekomen. We zitten in een impasse en de Franse invloed is in hoge mate aangetast.

Philippe Lemaître is correspondent van de Franse krant Le Monde in Brussel.

© Le Monde