`Water vasthouden in Randstad'

Om in droge zomers verzekerd te zijn van water, willen de waterschappen in het Groene Hart buffers aanleggen ter grootte van de Haarlemmermeerpolder.

Het klimaat verandert, de zeespiegel rijst. De winters worden natter en de zomers worden droger. De kansen op een calamiteit stijgen, zegt hoogheemraad John Steegh van het hoogheemraadschap van Rijnland, dat verantwoordelijk is voor het waterbeheer in grote delen van het Groene Hart.

Waar jarenlang de klimatologen de kans op een extreem droge zomer zoals in 1976 nog schatten op eens in de 35 jaar, houdt het waterschap nu rekening met een kans op eens in de tien jaar. Steegh vergelijkt het Groene Hart weleens met Irak: zoals dat land ligt aan het einde van de Eufraat en de Tigris en van deze rivieren veel te weinig water krijgt door de stuwmeren in Turkije, zo ligt het Groene Hart aan het einde van het stroomgebied van de Rijn waaraan bovenstrooms al zoveel water is onttrokken dat er weinig over blijft. ,,We zitten aan het einde van de pijp en er komt niets meer uit'', aldus Steegh.

Er moet iets gebeuren, menen de waterschappen in het Groene Hart. Steegh wil 17.000 hectare, meer dan de complete Haarlemmermeerpolder, aan zoetwaterbuffers aanleggen op zes plaatsen in het Groene Hart.

In deze buffers moet 's winters water verzameld worden dat in droge zomers kan worden ingelaten. Steegh noemt als ideale locaties de polder Mijdrecht, de zuidpunt van de Haarlemmermeerpolder, delen van de Noordplaspolder en de Zuidplaspolder en delen van de polder Nieuwkoop, en enkele polders in de omgeving van Stompwijk. Deze droogmakerijen zijn zeer diep gelegen en dat is nodig om er ten minste twee meter diep water te kunnen bergen. Steegh denkt dat deze zoetwaterbuffers goed te combineren zijn met recreatie en wonen aan het water.

De weerstand tegen de plannen is groot, erkent hij, vooral bij boeren die land zullen moeten inleveren en mogelijk zelfs moeten verkassen. Ook de gemeente Reeuwijk, waar plannen bestaan om driehonderd hectare te bestemmen voor zoet water, staat nog niet te juichen. Wethouder Henk van der Smit: ,,Wij zijn doordrongen van de ernst van het probleem. Maar wij zijn er nog niet van overtuigd dat het aanleggen van buffers de beste oplossing is. Als de plannen doorgaan, zouden hier vijf tot tien boerenbedrijven moeten verdwijnen.''

Maar volgens Steegh zijn er eigenlijk geen alternatieven. Water in droge tijden uit het IJsselmeer inlaten is geen optie, omdat de aan het IJsselmeer grenzende gebieden dat ook al doen, en het waterpeil alleen verder zou kunnen stijgen als de dijken met nog eens twee meter zouden worden verhoogd. Steegh: ,,Dat zie ik niet gebeuren.'' Je zou ook water uit het Amsterdam-Rijnkanaal kunnen inlaten, maar dan moet daarvoor eerst een breed kanaal worden gegraven tussen Breukelen en Bodegraven. Ook geen goedkope en aantrekkelijke gedachte, meent Steegh.

Zonder maatregelen moet het hoogheemraadschap van Rijnland in droge tijden verzilt water inlaten bij het grootste inlaatpunt van het Groene Hart, de Hollandse IJssel bij Gouda. Zo gebeurde het in de droge zomer van 1976. Er móét water worden ingelaten, benadrukt Steegh, om te voorkomen dat de houten paalkoppen waarop de huizen in de oude centra van steden als Leiden en Gouda rusten, droog komen te staan en gaan rotten. ,,Als de palen eenmaal droog hebben gestaan, is het heel moeilijk om het rottingsproces te stoppen.'' Steegh noemt als voorbeeld de fundering van de kerk in Moordrecht, die ooit droog kwam te staan en ging wankelen nadat een maalmeester ,,had zitten slapen'', aldus Steegh.

Het zilte water brengt vervolgens wél voor vele honderden miljoenen guldens schade toe aan natuurgebieden en boerenbedrijven, vooral kassenteelt, vollegrondsteelt en de vele boomkwekerijen in het Groene Hart. De bedrijven hebben ook nu al te lijden van de verzilting van het Groene Hart, doordat de bodem inklinkt en het zoute kwelwater de oppervlakte bereikt. In Boskoop worden nu al maatregelen genomen. Ook hier zou een zoetwaterbuffer uitkomst kunnen bieden; het zoete water drukt de kwel terug op z'n plaats.

Het hoogheemraadschap van Rijnland schat de kosten voor de zoetwaterbuffers op vijf tot zes miljard gulden. ,,Een ruimtelijke verzekeringspremie tegen de risico's'', aldus Steegh. Dat tegenstanders zeggen dat er bovenstrooms meer maatregelen moeten worden genomen, of dat de overheid bij calamiteiten moet bijspringen, stelt Steegh teleur. ,,De Randstad moet dit probleem zelf oplossen. We zijn rijk genoeg om te zorgen voor een zelfvoorzienend en duurzaam watersysteem.''