Washington kan niet meer geheel op Londen rekenen

Groot-Brittannië en de Verenigde Staten houden nog altijd vol dat ze een `bijzondere relatie' hebben. Maar anders dan bij vroegere regeringswisselingen in Washington zullen Engelsen en Amerikanen nu tot de ontdekking komen dat deze speciale band op subtiele maar ingrijpende wijze is veranderd, meent Jonathan Eyal.

De meeste landen gaan prat op een unieke relatie met de VS. De Nederlanders hebben hun band met New York en de handel, de Fransen hun historische steun aan de Amerikaanse onafhankelijkheidsoorlog, Duitsland wijst altijd op de grote aantallen Duitsers die naar Noord-Amerika zijn geëmigreerd, en er bevinden zich meer joden en Ieren in de Verenigde Staten dan in Israël en Ierland. Toch is Groot-Brittannië in veel opzichten een bijzonder geval.

Tot de vorige generatie kenden de meeste Amerikaanse scholieren de namen van alle Engelse koningen en koninginnen; nu nog is kennis van de geschiedenis van Engeland een vereiste voor begrip van grote delen van de Amerikaanse geschiedenis. De twee landen hebben weliswaar altijd een haat-liefdeverhouding met elkaar gehad – het ene was een koloniale mogendheid en het andere een verzameling arme koloniën die Engeland later van de totale militaire ondergang moest redden – maar ze delen in grote lijnen een politiek stelsel: de grote macht van de president/premier, het rechts- en verkiezingsstelsel, de verwachting dat verkiezingen winnaars moeten opleveren en geen coalities.

Geen enkele Britse politieke partij zou willen beweren dat er iets te leren viel van verkiezingen elders in Europa. Maar toen Blair zei dat hij de ideologie van Clinton toepaste in Groot-Brittannië, werd hij door iedereen serieus genomen: de hele discussie over de zogeheten Derde Weg, de poging het socialisme te moderniseren en klaar te maken voor de nieuwe eeuw, was in wezen een Brits-Amerikaanse aangelegenheid.

De stelling dat de andere Europese socialisten iets konden leren van Clinton en Blair leek volslagen belachelijk, maar in Londen en Washington was er niets abnormaals aan: de bewering vormde een voortzetting van de historische discussies over mensenrechten en democratie – ook weer twee begrippen die de Engelstalige landen zelf de ondankbare wereld menen te hebben geschonken.

Achter deze façade gaan belangrijker betrekkingen schuil. Ondanks enkele verhitte discussies in de afgelopen vijftig jaar was Groot-Brittannië in de buitenlandse politiek altijd de trouwste bondgenoot van de Verenigde Staten. Het is het enige land waarmee nucleaire technologie en kennis worden uitgewisseld en het enige land waarvan alle inlichtingendiensten rechtstreeks contact hebben met de VS.

Dankzij die band kon Groot-Brittannië een relatief belangrijke militaire mogendheid blijven, ook toen haar economische macht allang tanende was. Maar ook Washington had er politiek baat bij.

Bij alle verschillende persoonlijkheden bleef de band dan ook bestaan. Welbekend is de innige vriendschap van Margaret Thatcher en Ronald Reagan, van Dwight Eisenhower en Winston Churchill en van Clinton en Blair. Maar zeker zo belangrijk zijn de betrekkingen tussen leiders met sterk verschillende politieke opvattingen. In het begin van de jaren zestig ontstond er een vader-zoonrelatie tussen president Kennedy en een oude conservatieve Britse premier, die eigenlijk alles waar Kennedy voor stond verafschuwde.

Tien jaar later waren de rollen omgekeerd. Harold Wilson – destijds een jonge Engelse linkse rakker – kreeg als vanzelf een goede persoonlijke verstandhouding met Richard Nixon. Zo bezien staat niets een goede band tussen Bush en Blair in de weg. De wijze waarop de verkiezingsoverwinning van Bush tot stand kwam, lijkt Blairs mening te bevestigen dat de macht nu in het midden van het politieke spectrum te vinden is, en niet ter linker- of rechterzijde. Maar de zaken liggen nu toch wel anders. Hoe groot de vriendschap ook lijkt, Groot-Brittannië heeft een Europese identiteit aangenomen en dat basisgegeven lijkt nog niet te zijn doorgedrongen tot de Amerikanen.

Groot-Brittannië is gedoemd een wankelmoedig lid van de Europese Unie te blijven. De politieke top in Londen weet dat de transatlantische band geen substituut, en niet eens een tegenwicht kan vormen voor Europa. Het streven van de Engelsen naar een Europese defensiemacht vloeit voort uit tien teleurstellende jaren van Amerikaans beleid in de Balkan, en het besef dat de Verenigde Staten misschien wel graag bondgenoten willen, maar uiteindelijk altijd hun eigen belangen zullen volgen.

Hoewel Amerika geen grondtroepen had in Kosovo, wilde Clinton uitmaken wat de Europeanen moesten doen; ook al wees alles erop dat de luchtaanvallen op Kosovo geef effect hadden, Washington weigerde het leven van Amerikaanse soldaten in de waagschaal te stellen, ook toen Groot-Brittannië aanbood het leeuwendeel van de grondtroepen te leveren.

Tegelijkertijd had er in Londen een generatieomslag plaats. Degenen die aan het hoofd van de Britse ministeries van Buitenlandse Zaken en Defensie werden benoemd, waren vroeger hun loopbaan begonnen in de koloniën of in Washington. Tegenwoordig zijn de meeste beleidsmakers echter gespecialiseerd in aangelegenheden betreffende de Europese Unie. Ze geloven nog wel dat de NAVO en de Verenigde Staten essentiële bondgenoten zijn, maar de politiek der emoties interesseert hen niet en ze generen zich voor alles wat doet denken aan de oude bondgenootschappen uit de Tweede Wereldoorlog. Zelfs de term `bijzondere relatie' is tegenwoordig taboe onder Londense diplomaten.

Het gevaar bestaat dat in Washington die nuchtere feiten niet zijn doorgedrongen. George W. Bush is misschien geen deskundige in de buitenlandse politiek en ook geen intellectueel, maar dat gold ook voor zijn vader en Ronald Reagan destijds. De mensen met wie Bush zich omringt, zijn ook de mensen die op het einde van de Koude Oorlog toezagen. Ze zijn bekwaam en hoogopgeleid, goed op de hoogte van de strategische overwegingen van de NAVO en van Europa, maar ze zijn er niet gerust op wat de Europeanen aan het doen zijn.

Tientallen jaren hebben de Verenigde Staten de Europeanen gevraagd om een grotere bijdrage aan hun verdediging. Voor Washington betekende dat een grotere Europese bijdrage bínnen de NAVO, maar wat er gebeurde was dat een grotere Europese inspanning werd beloofd gekoppeld aan, maar nog altijd búiten het bondgenootschap om. De regering-Bush zal het tij niet kunnen keren, maar zal misschien wel willen proberen via de banden met Groot-Brittannië en mogelijk Duitsland het proces te vertragen en invloed uit te oefenen op de uitkomst ervan.

De Britten zullen zich wellicht even gevleid voelen door deze hernieuwde belangstelling. Maar nu concentreren de Engelse diplomaten zich op het huidige conflict tussen de Duitsers en de Fransen, waarin ze een goede gelegenheid zien om de richting waarin de Europese afspraken gaan bij te stellen. En ze weten dat als Groot-Brittannië opnieuw Amerika's spreekbuis in Europa wordt, de weg wordt vrijgemaakt naar isolement in Europa.

Dus als de echte transatlantische discussie over defensieafspraken losbarst, wat binnenkort beslist zal gebeuren, zal Groot-Brittannië waarschijnlijk de kant van de Europeanen kiezen. Voor sommige Amerikanen zal dat een verrassing zijn, en dan zal moeten blijken hoe `bijzonder' hun bijzondere band nog is.

Dr. Jonathan Eyal is verbonden aan het Royal United Services Institute in Londen.