Voedselhulp aan Rusland was overbodig

De Europese voedselhulp vorig jaar aan Rusland was onnodig en bereikte meest behoeftigen slechts ,,zeer ten dele''. Dit schrijft de Europese Rekenkamer over het grootste voedselhulpprogramma dat de EU ooit kende.

Het rapport van de Europese Rekenkamer, dat gisteren verscheen, is uiterst kritisch over de voedelhulp waartoe de Europese Unie eind 1998 besloot, toen de Russische Federatie was getroffen door een slechte oogst en een financiële crisis. Het Nederlandse lid van de Rekenkamer, Maarten Engwirda, noemde de hulp gisteren ,,grotendeels politiek gemotiveerd'' door druk van de Europese ministers van Landbouw. Zij meenden dat de EU op een gemakkelijke manier van haar landbouwoverschotten kon afkomen. Bovendien moest de EU haar marktaandeel verdedigen, omdat eerder de Verenigde Staten tot voedselhulp aan Rusland hadden besloten.

De EU stelde in december 1998 aan de meest behoeftige Russische regio's kosteloos 1,85 miljoen ton landbouwproducten (granen en vlees) met een geschatte waarde van 377,7 miljoen euro (830 miljoen gulden) ter beschikking. De hulp was destijds al omstreden, omdat er ernstige twijfel bestond aan de Russische behoefte. Binnen het Nederlandse kabinet ontstond onenigheid, nadat toenmalig minister Apotheker (Landbouw) in Brussel met de hulp had ingestemd. Minister Van Aartsen (Buitenlandse Zaken) constateerde dat Rusland geen voedseltekort maar een distributieprobleem had.

De Europese Rekenkamer ziet in haar rapport als enige positieve punt dat de verkoop van de landbouwproducten in Rusland tegenwaardefondsen opleverde, waarmee geld vrij kwam voor pensioenen van armen en voor sociale projecten. Op die manier waren armen beter in staat voedsel te kopen. Maar volgens de Rekenkamer hadden de Russische armen op een veel goedkopere manier kunnen worden bereikt via een beperkter programma van humanitaire aard. Volgens de Rekenkamer hebben nu ook welvarende regio's evenveel of zelfs meer van de hulp geprofiteerd. De Europese wens om de Russische exportmarkt voor landbouwproducten te behouden – in de concurrentie met de VS – had ,,doeltreffender en in verhouding veel goedkoper'' kunnen worden bereikt via het EU-systeem van exportrestituties voor de agrarische sector.

De Rekenkamer constateert dat de Europese Commissie zich bij de uitvoering van het voedselhulpprogramma in een ,,keurslijf'' van tegenstrijdige voorwaarden bevond. Zo mocht de voedselhulp de landbouwexport naar Rusland niet belemmeren en de lokale markt niet verstoren. Daardoor mocht de verkoopprijs niet onder een bepaald niveau zakken, terwijl de meest behoeftige regio's juist minder wilden betalen.

De Rekenkamer constateert dat de EU ,,geen voorafgaande behoeftenanalyse'' verrichtte. Het probleem was volgens de Rekenkamer niet zo zeer voedseltekort alswel gebrek aan koopkracht bij mensen. Volgens door de Rekenkamer aangehaalde OESO-cijfers was Rusland in de tweede helft van 1998 netto graanexporteur.

Ook constateert de Rekenkamer dat er onvoldoende personeel was om de hulpverlening te controleren. Vrijwel alle hulp kwam ter plekke, maar niet altijd op het juiste moment. Zo bleef veel vlees maandenlang in koelhuizen omdat de prijs te hoog was. Ook was sprake van ,,ongerechtvaardigde winsten'' van Russische handelaren. De geleverde tarwe voldeed niet aan de kwaliteitseisen voor Russisch brood en een deel van de rogge werd verkocht voor alcoholproductie en als pluimveevoer.