Toon mij uw boeken, en ik zeg wie u bent

In damesbladen zie je ze wel, van die vragenlijsten die je na beantwoording zullen vertellen of je een goede vriendin bent, wat voor type vrouw (verleidster, schoolmeisje, moeder, kameraad) je bent, of je een durfal bent of nogal bedeesd. Ze zijn onzin en de resultaten zijn meestal onbevredigend, maar toch oefenen ze een onweerstaanbare aantrekkingskracht op mij uit. Dus nu het tijdschrift Literatuur zoiets gemaakt heeft, met als kop: `Toon mij uw boeken en ik zal u zeggen wie gij zijt', aarzelde ik geen moment. Wat voor lezer men is, dat zal dit onderzoek uitwijzen. De vragen zijn bijvoorbeeld: `Amazon.com biedt een service waarbij op basis van eerder aangeschafte boeken een lees- cq aanschafadvies wordt gegeven. Wat vindt u hiervan?' De antwoorden zijn redelijk uitvoerig en zeggen veel meer over de lezer dan een eenvoudig `ja' of `leuk' zou doen. Uiteindelijk wordt elk antwoord omgezet in een letter en de lezer getypeerd aan de hand van het overwegend voorkomen van a's (snob), b's (politiek-correct) enz.

Een vrolijk tijdverdrijf, al was de uitslag weer niet echt bevredigend. Alleen van de hype-lezer bleek ik niets te hebben, verder wel wat van allemaal.

Verder pakt Literatuur het, zoals we van dit tijdschrift gewend zijn, een stuk serieuzer aan. Er staat een flink stuk in van Frans Berkelmans, de benedictijner monnik die zich al jaren intensief met Ida Gerhardt bezig houdt en daar geregeld verslag van doet in de Acanthus-reeks, een uitgave van de abdij van Egmond. Deze keer heeft hij zich gebogen over de bundel Sonnetten van een leraar (,,Dag Pegasus! Wat doe jíj hier in het gebouw?/ Ik ben met zaterdagse thema's nagebleven''). Hij buigt zich vooral over de bundelopbouw en maakt aannemelijk dat Ida Gerhardt, toen zij de bundel opnam in haar Verzamelde Gedichten, heeft geprobeerd de structuur van het geheel hechter te maken. Dat ze daarin geslaagd is, laat Berkelmans ook zien.

Het interessantste stuk in dit nummer is van Wilbert Smulders, docent Nederlandse letterkunde aan de Universiteit van Utrecht, die een voorstel doet voor de bestudering van W.F. Hermans' Mandarijnen op zwavelzuur. Hij schrijft dat hij ondanks de spraakmakendheid en de vele herdrukken van het boek, maar zelden iemand tegenkomt die het daadwerkelijk gelezen blijkt te hebben, en bestudeerd is het nauwelijks. Hij noemt drie aspecten ervan die wat hem betreft voor onderzoek in aanmerking zouden komen: over welke achtergrondkennis moet een lezer uit 2005 beschikken om de polemieken in het boek te kunnen begrijpen; uit welke tijd dateren de verschillende onderdelen van het boek en wat is hun volgorde; en wat is de betekenis van Hermans' polemiek.

Het is wel duidelijk dat wil een lezer in 2005 Mandarijnen nog kunnen lezen, een grondige annotatie niet overbodig zou zijn. Smulders geeft een aantal voorbeelden van kwesties die ten tijde van het schrijven van de stukken een belangrijke rol speelden, maar die nu volkomen weggezakt zijn in het verleden. In het literaire klimaat in de jaren vijftig koos Hermans zijn positie, die de positie was van de dappere eenling tegenover de groepen `mandarijnen' en `epigonen', en bestreed vurig iedereen en alles die hij van mandarijnendom of epigonisme verdacht. Smulders vindt er iets voor te zeggen om Mandarijnen als een roman op te vatten, of in ieder geval als een boek waarin `het spel met de fictie ten top wordt gevoerd'. Hij schrijft: ,,Mandarijnen is bloedvergieten, met als oogmerk reiniging, uitgevoerd in de rituele ruimte van de literatuur.''

Literatuur jrg. 17, nov/dec.

Uitg. Amsterdam University Press. Prijs per nr. f 15,-