Mulisch bezweert de dood

Alle kunst gaat over de dood, is wel gezegd. Vooral in laatste werken worden nogal eens bewijzen aangetroffen voor het idee dat de kunstenaar zijn einde voorvoelde. De muziekkeuze van Harry Mulisch die gisteravond werd uitgevoerd in het Concertgebouw, bestond geheel uit zulke `zwanenzangen'. ,,Het is een beetje morbide'' zei Mulisch onlangs in de Volkskrant over zijn wensconcert. ,,Je kunt zeggen: als hij zo'n concert maakt, is dat de dood tarten (-) of je kunt het juist zien als een bezwering.''

In de kleine zaal klonken dus de laatste noten van Wagner, Bach en Schubert, niet zozeer omdat Mulisch ze mooi vindt maar omdat hij nu eenmaal van een systeem houdt. De schrijver heeft in zijn roman Hoogste tijd (1985) bij monde van een personage betoogd, dat alle `terminale meesterwerken' in zekere zin door `één en dezelfde man' zijn gemaakt. Zijn wensconcert greep Mulisch aan om te proberen deze bewering waar te maken. Heeft hij bovendien in zijn filosofisch opus De compositie van de wereld niet geschreven, dat het oerfenomeen van de kosmos in de muziek te vinden is, de `octaviteit'?

Reinbert de Leeuw zette op piano loodzwaar in met Richard Wagners Elegie in As, een stuk dat de componist bij zijn dood in 1883 op zijn piano had liggen. Met het hamerende Unstern: sinistre, disastro van Franz Liszt werd daarna echt even een onheilspellende sfeer opgeroepen. Vervolgens las Mulisch, die op het podium had zitten luisteren, zijn `vertoog over de zwanenzang' voor uit Hoogste tijd, waarin wordt beweerd dat wat kunstenaars op de rand van de dood gemeen hebben, een `totale vrijheid' is, `een souvereine minachting voor de regels van de kunst, die tegelijk die regels pas fundeerde. (-) In hun laatste werken (-) vielen grote kunstenaars dus om zo te zeggen samen met de natuur'. Dat leek wel een romantische genie-theorie, wat sterk contrasteerde met de ijle, mathematisch opgebouwde klavecimbelstukken van Froberger en Bach die daarop volgden. Vooral Frobergers Méditátion sur ma mort future klonk in de uitvoering van Bob van Asperen soms heel dartel en dreigde de grafstemming (en Mulisch' theorie) te ondermijnen.

Met de liederen uit Schuberts Schwanengesang keerde aan het slot de terminale noot weer terug: bas-bariton Lieuwe Visser, begeleid door Reinbert de Leeuw, klonk als een prachtige, woeste onweersstorm in het lied `Der Atlas'. Schubert zal volgende maand weer klinken, als de keuze van de Brits-Indiase auteur Vikram Seth gespeeld wordt.

Concert: `Zwanenzangen'. Gehoord: 18/12 Concertgebouw, Amsterdam.